De sprengenbeek van Vijverberg bij Arnhem

De sprengenbeek van Vijverberg bij Arnhem,
deel 1:
meer dan alleen een beek

Jan Holwerda

Aan de noordwestzijde van Arnhem doorsnijdt de Amsterdamseweg het landgoed Ligtenbeek of Lichtenbeeck zoals ook wel geschreven werd. Meer recent duidt men met Lichtenbeek het deel ten zuiden en met Vijverberg het deel ten noorden van die weg aan.[i] Ligtenbeek ontleent haar naam aan een spreng op de tegenwoordige Vijverberg. Het geheel van sprengkop, sprengenbeek en vijvers is niet aangelegd als bovenloop voor een watermolen, maar zal voor watervoorziening gezorgd en als parksieraad gediend hebben.

In de krant
Bij het laatste aansluitend, het stromende water vormde meermaals ook een verkoopargument: ‘doorsneden met loopend water, zijn oorsprong op de plaats zelve hebbende (…)’ meldt een verkoopadvertentie uit 1827[ii] en een uit 1834 spreekt over ‘op eigen grond ontspringende‘ ‘waterleidingen (…)’.[iii]
En soms kwam de beek zelfs in het nieuws. Zo was er in 1857 sprake van een buitengewoon langdurige droogte, voorafgegaan door een koud voorjaar. Vele kranten maakten hier melding van, zo ook het Algemeen Handelsblad. Te lezen valt dat ‘op het landgoed Lichtenbeek (…) slechts een paar vijvers met water gevuld en overigens alle bronnen en beekjes droog waren (…).‘ Terwijl ‘in de lente dezes jaars is men overgegaan tot het uitdiepen der wellen, ten einde het fraaije landgoed weder van water te voorzien.[iv]

In 1858 werd Lichtenbeek verkocht en toen vervolgde het Algemeen Handelsblad met ‘eene omstandigheid is jammer: de smaakvolle waterleidingen en watersprongen, van welke de conditiën der verkooping gewagen, bestaan op dezen oogenblik alleen in het geheugen of de verbeelding, daar de uitdieping der bronnen, door den thans overleden eigenaar (…) ten vorigen jare bewerkstelligd, wel aanvankelijk een goeden uitslag had, maar nu geheel nutteloos is, aangezien de wellen andermaal beneden den bodem der beekjes gezakt zijn. In het algemeen komt den toestand der beeken op de Veluwe niet veel verbetering en blijft het gebrek aan genoegzaam water voortduren, tot groot ongerief en nadeel van hen, die er hun middel van bestaan in moeten zoeken.’[v]
Tot enkele dagen later een hevige donderbui met ‘buitengewoon sterken stortregen’ volgde die onder andere op Lichtenbeek ‘veel verzanding en uitdrijving van bouwland en wandelingen‘ veroorzaakte. ‘Zóó zelfs, dat (…) de waterleidingen en de fontein (…) heden avond nog in werking waren.’[vi]

Wandeling rond 1800
Als parksieraad had het water nog een rol, namelijk die van de ‘rode draad’ voor een aaneenschakeling van vroeg-landschappelijke parksieraden. In dit artikel wordt deze ‘rode draad’ opgepakt. Wandelaars uit vroeger eeuwen worden gevolgd aan de hand van tekstfragmenten uit dagboeken en reisverslagen, aangevuld met enige kaarten. De wandeling is vandaag de dag nog steeds te maken: de waterloop is nog altijd te volgen en met de tekstfragmenten en gelijkende voorbeelden uit de omgeving is voor te stellen wat er toentertijd te zien moet zijn geweest.

afb01-Vijverberg-Holwerda-2014

De Lichtenbeeck, anoniem circa 1740. (Gelders Archief, 1551-GM 085776).

Lichtenbeek
Omstreeks 1651 verkregen Willem Craeyvanger (ca. 1616-na ca. 1666)[vii] en Bernt Harscamp[viii] de gronden van het latere Lichtenbeeck in erfpacht, en werd hier een hoeve gebouwd. Harscamp ontdekte aan de overzijde van de weg, op de latere Vijverberg, rijke waterwellen en verwierf deze gronden in 1685.[ix]
Na de familie Harscamp en de familie Sandijk[x] en erfgenamen, werd Mr. Everhard Jacob Brantsen (1708-1764), getrouwd met zijn nicht Elisabeth Johanna Beatrix Tulleken (1716-1762), in 1741 eigenaar.[xi] Naast het agrarisch bedrijf was er toen sprake van ‘een commodieus getimmer off verblijf voor den eijgenaar, met een grooten hoff en een stallinge, twee loopende vijvers, alles met sijn opgaande boomen, ackermaal en verdere houdtgewassen.’[xii]
In 1764, na de dood van haar vader, erfde Elisabeth Brantsen (1743-1826) Lichtenbeek. Zij huwde in 1771 Gijsbert van Hasselt (1734-1801), telg uit het Zutphense regentengeslacht.

Vroeg negentiende-eeuwse kaarten als die van De Man (1802-1812)[xiii] en het Kadastraal Minuutplan[xiv] laten zien dat Lichtenbeek een grote geometrische parkaanleg kende, met een lange toegangslaan vóór en een sterrenbos achter het hoofdhuis. Gezien deze stijl lijkt het waarschijnlijk dat deze aanleg ten tijde van Everhard Jacob Brantsen tot stand is gekomen, dus voor 1764. Dezelfde kaarten tonen een landschappelijke parkaanleg op Vijverberg en direct rond het huis Lichtenbeek, de laatste als het ware ingeklemd tussen de al genoemde geometrische delen. Het zal onder Elisabeth Brantsen en Gijsbert van Hasselt zijn geweest dat deze landschappelijke parkaanleg tot stand kwam, waarschijnlijk voor circa 1800. Gijsbert stierf namelijk in 1801 en Elisabeth had toen inmiddels de leeftijd van bijna zestig jaar bereikt. De parkaanleg van Vijverberg is door het uitgebreide netwerk van kronkelende wandelpaden op een relatief klein oppervlak en meerdere tuinsieraden, waarvan de sierkluis (kluizenaarshut) al in 1793 wordt genoemd, als vroeg-landschappelijk te duiden.

Bronnen
Wat de bronnen betreft is er allereerst het dagboek dat Otto van Eck (1780-1798), geboren in een welgestelde regentenfamilie, van 1791 tot 1797 bijhield. Het dagboekschrijven was een verplichting opgelegd door zijn ouders, naar de nieuwste pedagogische inzichten. Zelfinzicht en zelfdiscipline moesten op deze wijze worden ontwikkeld, en die ontwikkeling was vervolgens door de ouders via meelezen te controleren. In het dagboek noteerde Otto van Eck een logeerpartij bij oom en tante Van Eck op Mariëndaal (te Arnhem), in augustus 1793.[xv] Meerdere buitenplaatsen werden bezocht, zo ook het aan Mariëndaal grenzende Lichtenbeek. De moeder van tante Van Eck was overigens ook een Brantsen.
Op 4 juli 1807 deden koopman Daniel Boissevain (1772-1834), zijn zwager en scheepsreder Carel Faber (1767-1813) en hun echtgenotes vanuit Amsterdam Lichtenbeek aan tijdens Een Plaisir Reysje door Gelderland na Cleef en terug.[xvi]
Nog eens zes jaar later, veel uitgebreider en gedetailleerder, komt Lichtenbeek aan bod in het verslag van de huwelijksreis van Jkvr. Maria Catharina Gallé (1788–1862) en notaris Nicolaas Esser Meerman (1777-1851). De titel Een uitstapje in de environs van Arnhem moge duidelijk zijn.[xvii]

In dezelfde periode bezocht ook Willem de Clercq (1795-1844) het landgoed Lichtenbeek. In zijn beroemde dagboeken (1811-1830) doet Willem in de derde persoon verslag van een zesdaags reisje door Gelderland, in augustus 1815.[xviii]
Tot slot is er nog het boekje Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, een succesvol werk met vijf drukken tussen 1820 en 1836.[xix] De boekhandelaar-uitgever, archivaris-geschiedschrijver Isaac Anne Nijhoff (1795-1863) beschrijft hierin een drietal wandelingen rond Arnhem. In de tweede wandeling wordt onder andere Lichtenbeek bezocht.

afb02-Vijverberg-Holwerda-2014

Kadastraal minuutplan 1879-1888 met details uit Minuutplan 1821. (Gelders Archief 1506-2603 / watwaswaar.nl).

 

De Hel, een aangelegde grot
Op Vijverberg beginnen hedendaagse wandelaars bij de sprengkop gelegen achter de in 1873 gebouwde woning met de naam De Vijverberg.[xx] Een kleine woning die opvalt door kenmerkende neogotische spitsboog-vensters en het kleine balkon aan de straatzijde. Net voorbij deze woning, tegenover de oprit naar het koetshuis van Lichtenbeek, biedt een klaphek anno 2016 toegang tot Vijverberg. Hiervandaan dient men eerst terug te lopen richting de genoemde woning, naar deze sprengkop
Ook Gallé en Esser Meerman begonnen hun wandeling bij de sprengkop. Aldaar ‘daalden [ze] af naar de grotten of souterrains, welken 40 passen door de grond gegraven zijn, doch welke spelonken ons meer akelig dan vrolijk toeschenen.
De Clercq spreekt eveneens over ‘eene onderaardsche gang met schone uitzichten over ‘t water.
Nijhoff op zijn beurt is het meest uitgebreid en beschrijft de plek en de sfeer:
een kunstig gemaakt grotwerk, onder hoog geboomte. Langs eenen donkeren gang daalt men in hetzelve neder, tot aan een klein vertrek, uitkomende aan eene beek, die zich, door de hoogten, welke haar aan beide zijden insluiten, met moeite den weg schijnt te banen: het flaauwe licht, door de opening tussen de beide heuvels doorgelaten, nog gedeeltelijk onderschept door het heestergewas, dat de beek omzoomt, doet eene bevallige werking in dit onderaardsch verblijf, waar in den zomer de verkwikkelijkste koelte heerscht.’[xxi]

afb03-Vijverberg-Holwerda-2014

De Grot De Hel (watwaswaar.nl).

Het al genoemde Kadastraal Minuutplan laat op deze plek, De Hel genaamd, een bouwwerk met een V-vormige plattegrond zien.[xxii] Het is mogelijk om vanaf de ene zijde af te dalen tot het waterniveau en dan over de spreng te kijken, om vervolgens aan de andere zijde weer naar boven te lopen en de wandeling langs de waterloop te vervolgen. Het waterniveau ligt aldaar overigens meters onder het maaiveld.
De grot bestaat niet meer, maar de diepliggende spreng ingesloten door grote grondlichamen en overwelfd door hoog opgeschoten bomen nog wel. Op deze plek is voor te stellen dat men hier vroeger kon afdalen in een grot en op het laagste punt uitzicht over het water had. Voorheen waren aan beide zijden van de sprengenbeek paden, nu alleen nog aan de zuidzijde.

Brug en obelisk
Nijhoff vervolgt met: ‘van dit grotwerk af loopen veelvuldige slingerpaden, over hoogten en laagten,op verschillenden afstand langs deze beek, en langs den vijver, in welken zij zich uitstort; zij brengen den wandelaar over eenen brug, waar hij, aan beide zijden, een streelend uitzigt geniet over eenen vijver.
Ook Gallé en Esser Meerman komen bij deze brug:
Hiervandaan begaven wij ons langs een kronkelend beekje, zeer diep gelegen, tot aan een dwarslaan, waar hetzelve zich in een kolk verloor. Daar passeerden wij eene aardige brug en het achter ons gelaten terrein, op welker einde zich in ‘t verschiet een zeer fraaye obelisk vertoonde, terwijl wij ons oog lings af op een watergezicht, in welks midden een grote en zes kleinere fonteinen sprongen, wederzijds met kronkelende wegen, met een laan lieten wijden.

De genoemde obelisk stond mogelijk in de laan die zich vanaf de Amsterdamseweg in noordoostelijke richting uitstrekte en dwars op de korte gevel van het nu niet meer bestaande hoofdhuis stond.[xxiii] Deze locatie is passend bij een uitzicht vanuit het hoofdhuis door een laan op een ‘blikvanger’ zoals een obelisk. De in de Topographische kaart van 1874 aangeduide mogelijke locatie is aan de bovenzijde van een helling die in noordelijke richting overgaat in vals plat. Zou een obelisk verderop in de laan staan, dan zou deze vanaf de brug steeds minder goed tot niet meer zichtbaar zijn geweest.[xxiv] Overigens valt op dezelfde kaart het grote aantal slingerende paden op, iets wat momenteel nog steeds in het veld waarneembaar is.

afb04-Vijverberg-Holwerda-2014

Detail van Topographische kaart der gemeente Arnhem, P.K.P.J. van Sloten 1874 (Gelders Archief, 0509-217A).

Waterval
De vijvers en de sprengbeek kunnen verder worden gevolgd. Vanuit de tweede (meest westelijke) vijver vervolgt het water zijn weg via de sprengenbeek. Dan komt men op een punt waar een hoogteverschil in de waterloop, 2 à 3 meter, door een watergoot of watertrap wordt overbrugd. Op het Minuutplan valt dit terug te vinden, maar geen van de gebruikte bronnen maakt melding van een waterwerk in welke vorm dan ook.
Iets verderop komen Gallé en Esser Meerman bij: ‘een aardig rustiek hutje, waaronder een souterrain als een kleine kamer met twee open deuren ter zijde en een grote opening in ‘t midden, en zoo dadelijk als wij daarin gezeten waren, werden wij verrascht door eene schone waterval, die tusschen de vloer van het bovenvertrekje en de zoldering boven ons in éénen val nederviel en een zonderling gezicht opleverde, vooral daar men dezelve van achteren beziet, daar men die anders gewoon is van voren te bezichtigen.’
De Clercq heeft gemengde gevoelens bij deze plek:
‘T geen ons het beste beviel was de intrede in een soort van grot alwaar men voor zich een stroom water van de hoogte van twaalf voet neder zag vallen het geruisch van het water het spelen der zonnestralen in het zelve en het daardoor veroorzaakte glinsteren der waterdroppen was verrukkend. Minder beviel ons het gezigt van buiten terwijl het water dan door een venster stroomde, ‘t geen noch met natuur noch met goeden smaak strookte.’
Nijhoff op zijn beurt is zeer neutraal met ‘een ander meer eenvoudig grotwerk, over hetwelk zich een waterval, ter hoogte van zes of zeven voet, in een beekje uitstort.

afb05-Vijverberg-Holwerda-2014

Hutje of grotwerk (watwaswaar.nl).

Ook dit ‘hutje of grotwerk’ staat op het Kadastraal Minuutplan. Een klein, met rood aangegeven bouwwerk is te vinden op de overgang naar het volgende deel van de sprengenbeek. Ook nu nog kent het aldaar een hoogteverschil met een cascade, dus een waterval door een bouwwerkje is daar goed voorstelbaar
Gallé en Esser Meerman vervolgen hun weg met:
‘Van daar wandelden wij langs een goudvisvijver, omringd van hoogstammige boomen, waarbij een rustiek bank geplaatst was, door vrolijke dreefjes en kronkelende weegjes van fraai kreupelhout en bosch, waar hier en daar een fraaie bank bij een waterplas (waarover men met aardige brugjes henen gaat) gevonden wordt.
De Clercq laat zich in gelijkende bewoordingen uit.

De kluizenaarshut
Door het water te volgen komen alle wandelaars uiteindelijk bij wat het hoogtepunt van de parkaanleg moet zijn geweest, de kluizenaarshut en haar omgeving.[xxv] Otto van Eck schrijft al onder Donderdag 22 Augustus [1793]
op de derde [buitenplaats, zijnde Lichtenbeek] heb ik niet veel aanmerkenswaardig gezien, als een zeer aardige hermitage met zijn huisje van mosch, zijn graf, etc. en de hermiet zelfs stond in zijn huisje in den bijbel te leezen en was zeer gelijkenend van hout gemaekt

Veel gedetailleerder is Boissevain. Te lezen valt:
een fraaye Hermitage met Menagerie uyt Wortelen van Boomen zamengesteld. Verder op bezagen wy het Kerkhof van den Heremiet met verschillende treffende Grafschriften, deszelfs Kapel en Tuyn en zagen den Heremiet zelve by het leezen in een Boek, in eene beweegende houding.
Esser Meerman voegt weer andere details toe. Met mogelijk enige bewondering schrijft hij:
tot wij eindelijk over een opslaande brug henen gingen, welke ons op een eilandje leide. Bij dezen ingang lazen wij eenige inscriptiën, terwijl men ons vervolgens eene hermitage aanwees, waarin zich een beweegbare hermijt bevondt, en welk eilandje strekt tot de afgezonderde verblijfplaats van den hermiet en waarop zich bevondt zijn kerkhof, zijn bidvertrek, een altaar, een scelet van een doode en vele grafplaatsen, alle voorzien van bijschriften, welke Gods heerlijkheid en de vergankelijkheid des menschelijken levens ter beschouwing en aandenken voorstelden.

Maar De Clercq denkt heel anders over het eiland en haar aankleding. Effectbejag is het:
‘Zoo zeer ons dit alles echter behaagde [vanuit het huisje door de waterval kijken] zoo zeer mishaagde ons eene soort van hermitage met twee elendige hutjes, waarin de afbeeldsels van Menno en Paracelsus een knikkende pop en een groot getal opschriften die meer vroom als dichterlijk waren en ons om dus te spreken walgden daar deze heilige opschriften overal als uithangborden van kroegen geplaatst waren. Eene smerige hut waar wij uitgebrande kaarssen en een kartonnen doodshoofd vonden bekroonde dit tefreel zoo dat wij deze hermitage zochten te vergeten en verder Lichtenbeek met dankbaar genoegen verlieten.

afb06-Vijverberg-Holwerda-2014

Eiland met hermitage en kerkhof (watwaswaar.nl).

Naast bijschriften en opschriften buiten, werd ook in de hermitage een tekst aangetroffen, een lang gedicht dat bewaard bleef en is getiteld Ter verdediging van mijnen afgezonderden levensstand.[xxvi] Het begint met de regels:

Gaa Wandelaar gaa mijn hut voor bij, Beklaag mijn éénzaam leven ’t geen ik genieten mag derft gij, wij leven kort straks sterven wij, om rekenschap te geeven.

Mogelijk dat enige jaren later veel hiervan alweer verdwenen was. Nijhoff blijft namelijk wel erg beperkt in zijn schets van dit deel van de wandeling. Hij noemt het eiland met ‘eene smaakvol aangelegde hermitage (…), maar geeft geen andere details.[xxvii] Verder geeft hij aan dat dit eilandje ‘grenst zeer gepast aan een uitgestrekt dennenbosch.
Op het Kadastraal Minuutplan is aan de westelijke grens van Vijverberg een rondlopende gracht te zien, dus met een eiland. Een brug biedt toegang en twee bouwwerkjes (de hutjes?) staan in rood aangegeven. Ook nu nog is deze plek terug te vinden. Een ieder zal bij Vijverberg en het woord ‘eiland’ in eerste instantie denken aan de waterpartij en het schiereiland met het waarschijnlijk rond 1900 gebouwde huis ’t Eilandje.[xxviii] Maar direct ten zuiden hiervan is nog een eiland te vinden, zij het eentje binnen een drooggevallen gracht. Dit is het eiland waarover Esser Meerman en De Clercq spreken. En tot op heden is de vorm van de gracht, dus ook die van het voormalige eiland, nog steeds dezelfde als op het Kadastraal Minuutplan.

 

Einde wandeling
Van hieruit is het mogelijk om via verschillende paden of wegen terug te keren. Esser Meerman schrijft hoe ze dan bij het nu niet meer bestaande huis komen.
‘[Een huis met] een bloemperk, in hetwelk wij den heer Brantzen aantroffen, een achtenswaardig grijsaard, doch als een kwakzalver opgetooid, hebbende een pet op met zilver omboord, een buis van groen en bruin gestreept goed, een grijze broek met zwarte slobkoussen, terwijl hij roode sayette handschoenen, zoo het scheen voor de jicht, aanhadt, wordende door denzelve met een vriendelijk goeden dag begroet.’
De wandeling van Gallé en Esser Meerman eindigt tenslotte met een kopje thee bij de tuinmanswoning en zicht op een ‘antieke koepel langs den weg (…)’. Zij verlieten vervolgens ‘deze plaats, welke, hoezeer niet mooier, ons echter vreemde en nieuwe gezichten opgeleverd hadt.

 

deel 2: meer dan alleen een beek

De omgeving
Of er een architect verantwoordelijk was voor de vroeg-landschappelijke parkaanleg van Vijverberg is niet bekend. Wel kan er iets gezegd worden over de omgeving van de buitenplaats in fysieke zin en over de eigenaren.
Brantsen, Tulleken en Van Hasselt stamden uit regentengeslachten en maakten deel uit van het regentenpatriciaat van Arnhem en Zutphen. Geslachten en een regentenklasse met veel functies, invloed en grondbezit, onder andere buitenplaatsen.[xxix] Overigens behoorde ook het al eerder genoemde geslacht Van Eck tot het regentenpatriciaat van Arnhem.
Gedurende de zeventiende eeuw en erna werd bezit van een buitenplaats binnen het regentenpatriciaat haast gemeengoed. De buitenplaatsen van de vier gebroeders Brantsen in Arnhem en directe omgeving illustreren dit: Johan kocht Mariëndaal in 1735 en liet er rond 1740 een huis bouwen en erfde Huis Hulkestein in 1742; Willem Reinier erfde in 1742 Rhederoord bij De Steeg en liet er in 1745-1746 een huis bouwen; Hendrik Willem kocht in 1741 Zypendaal, en in 1757 het aangrenzende Gulden Bodem, en liet in 1762-1764 het nog bestaande huis Zypendaal bouwen; en Everhard Jacob kocht Lichtenbeek in 1741. Via vererving bleven al deze buitenplaatsen in ieder geval voor wat de volgende generatie betrof nog binnen de (schoon)familie.[xxx] De opsomming van bezittingen van de vier broers Brantsen en de aanschafjaren laten wederzijdse beïnvloeding of inspiratie vermoeden. Mogelijk geldt dat ook voor de parkaanleg en parkinvulling van de verschillende buitenplaatsen.

Rond Arnhem ligt een uitgebreide landgoederenzone. Dit blijkt al uit de vijf gebruikte bronnen. De schrijvers beperkten zich in hun wandelingen niet tot alleen Lichtenbeek. Allen bezochten meerdere buitenplaatsen, Nijhoff zelfs tientallen, van Wageningen tot Dieren. Uit de reisverslagen blijkt dat Lichtenbeek thuishoorde in het rijtje van rond Arnhem te bezoeken buitenplaatsen. Het was blijkbaar een buitenplaats die je hoorde aan te doen; een buitenplaats die er destijds toe deed.
Het is zeer goed mogelijk dat parkinvullingen uit de regio een inspiratiebron voor Lichtenbeek vormden of vice versa. Hieronder volgen een aantal voorbeelden, overigens veelal op buitenplaatsen met ook een sprengenbeek.

Oosterbeek, Laag Oorsprong - Grothuisje | Ansicht: Jan Holwerda

Oosterbeek, Laag Oorsprong – Grothuisje | Ansicht: Jan Holwerda

Grothuisjes en hermitages in de omgeving
De beschrijving van de waterval van Lichtenbeek, ‘eene schone waterval, die tusschen de vloer van het bovenvertrekje en de zoldering boven ons in éénen val nederviel (…)’ roept een beeld op van wat decennia later op Laag Oorsprong te Oosterbeek was te zien. Een bouwwerkje dat het grothuisje heette. Het was een huisje waar het water door de gevel viel en wat was opgebouwd uit misbaksels afkomstig van de steenfabriek in de Rosandepolder.[xxxi] Dit huisje heeft een voorganger gehad. Boissevain zag op ‘den Oorsprong een klyn Huysje waar boven uyt is vlietende een fraaye Cascade als een heldere Spiegel met rand er om, zynde het gesigt daar op en daar in, meede allersomberst.’ Ook Jacomina Scheltema-van Nijmegen verhaalt in haar reisjournaal uit 1799 van ‘een grot waarin men het water over zig heen ziet storten.’[xxxii]

Verder schrijft Scheltema-van Nijmegen dat op ‘de Oorspronk een Hermitage is met hetgeen daarin behoort (…)’ (wat ‘daarin behoort’ behoefde schijnbaar geen toelichting, die kennis zal toentertijd gemeengoed zijn geweest). Aan de zuidelijke Veluwezoom waren naast die van Vijverberg en Laag Oorsprong meer hermitages te vinden. Zo was er een in het cascadedal nabij kasteel Doorwerth, bekend van een tekening uit circa 1790.[xxxiii] Een grotachtig gebouw, onder een tegen een helling oplopende trap, aan de rand van een vijver en met uitzicht over het water.

afb08-Vijverberg-Holwerda-2014

 

Ook in Velp was er een, op Overbeek. Dit blijkt uit de aangifte door de tuinman van Overbeek, van een inbraak in september 1808. Hij meldde dat in het ‘zogenaamde Hermiete huisje Le père Heremite in ’t tweede gemak lag en een donker bruinachtige peije jas of rok, waarmede het beeld, of den zoogenaamde Hermiet in de Hermitage (…) onlangs nieuw is gekleed geworden, welke aan dat beeld is uitgetrokken en medegenomen.[xxxiv]
De hermitage van Rhederoord (De Steeg) is het vijfde voorbeeld in de directe omgeving. Eigenaren zijn een neef en een nicht van Elisabeth Brantsen van Lichtenbeek, Derk Willem Abraham Brantsen (1742-1808) en zijn volle nicht Gerhardina Abigael Agatha Brantsen (1744-1819), die in 1766 met elkaar trouwden.[xxxv] De tuinarchitect Johan Philip Posth (1763-1831) maakte, waarschijnlijk in 1797, een vroeg-landschappelijk ontwerp voor een westelijk deel van Rhederoord. Op de Caart van een stuk heide veld, gelegen agter de Bauwerij De Kluijs genaamt wordt deze hermitage met haar directe omgeving gedetailleerd verbeeld.[xxxvi]

afb09-Vijverberg-Holwerda-2014

Beekhuizen model voor Vijverberg
Tot slot zijn er de hermitages van Biljoen en Beekhuizen te Velp. De hermitage in het park van Biljoen is bekend door een ets die Christian Henning circa 1790 maakte: gezicht op een cascade met Hermitage en Chinese brug, in het park van Biljoen. Beekhuizen, het overpark van Biljoen, kende ook een hermitage. Truitje van Hogendorp vermeldt deze in haar dagboek, onder 21 september 1787. Ook kende Beekhuizen een kluizenaarsboom. En waar bij Vijverberg over een kluizenaarspop wordt gesproken, kende Biljoen of Beekhuizen de overtreffende trap: een levende ‘hermiet’ verbleef aldaar. Het rekeningenboek (1772-1792) van Johan Frederik Willem baron van Spaen (1746-1827) vermeldt namelijk op ‘1 mey 1798: geleent aan Hermiet Jan Gartsen ƒ10,-.’ Ook zou er op Beekhuizen sprake zijn geweest van een houten heremiet die via een mechaniek met zijn hoofd knikte en met zijn houten arm naar een staande doodskist met de tekst ‘Memento Mori’ wees.[xxxvii]

Bij verder inzoomen blijkt Vijverberg meer overeenkomsten met Beekhuizen te hebben, want ook hier wordt over ‘inscriptiën, bijschriften en opschriften (…)’ gesproken. Op de tekstborden van Biljoen en Beekhuizen stonden teksten in dichtvorm, van klassieke en moderne schrijvers. Het waren geïdealiseerde landschapsbeschrijvingen en beschrijvingen van verschillende gemoedsgesteldheden en -stemmingen in het Frans (Delille en Rousseau), het Latijn (Petrarca en Virgilius) en in het Nederlands (Elisabeth Maria Post en Dirk van der Loo). Tekst en locatie moesten elkaar wederzijds beïnvloeden. De plaats van een tekstbord moest de tekst een hoger waarheidsgehalte geven en de tekst gaf richting aan de associaties die de plek moest oproepen.[xxxviii]

Een ander tekstfragment over de hermitage van Beekhuizen doet op haar beurt aan de gangen van de grot van Vijverberg denken. In het reisjournaal van Jacomina Scheltema-van Nijmegen staat dat men de hermitage door ‘een souteryn’ binnen kan gaan en ‘men heeft daar twee ingangen onder de grond, waar in het stik donker is, zoo dat men met moeiten de uytgang kan vinden.’[xxxix]
Boissevain bevestigt een en ander als volgt:
frappeerde ons de fraaye grot, onder een berg geheel met Mosch bedekt, en waar uyt men door een venster op een Beek met springende fontyn ziet; dees Grot is zeer somber en afgeleegen (…) Wy kwamen uyt deze Grot door een zeer donkeren en naauwen gang aan de andere zyde.

Een laatste fragment over onderaardse gangen op Beekhuizen komt uit de Kleefse krant Der Clevische Zuschauer van augustus 1792. Onder de titel Ueber Arnheims Gegenden staat in briefvorm een verslag van een wandeling van Arnhem naar Rozendaal en Beekhuizen.[xl] De betreffende zinsnede luidt:
bey einer andern Grotte .. einen Fall von etwa 10 Fuss hatte; dafür war sie aber auch hinter dem fallenden Wasser mit einem Durchgange versehen, der etwa 10 bis 15 Schritt unter der Erde an der andern Seite des Baches auf einen kleine Höhe des ostwärts angränzenden Berges führte (…)’

 

Tot slot nog twee andere op elkaar lijkende tuinsieraden: de watertrap en het watergordijn. Op Beekhuizen kon men achter zowel de grote als de kleine waterval lopen en door het watergordijn kijken. Verder kende Beekhuizen een cascade waar water over 22 traptreden stroomde. En net als op Vijverberg is de wandeling op Beekhuizen ook ‘opgehangen’ aan de sprengenbeek.

De meer of minder aansprekende overeenkomsten van Vijverberg met Beekhuizen laten vermoeden dat Vijverberg geïnspireerd is door Beekhuizen. Op veel kleinere schaal, minder indrukwekkend, maar blijkbaar wel met veel gelijkenissen. Inspiratie kan alleen zijn opgedaan door bezoek. En daar is ook een aanwijzing voor gevonden.

Op 29 augustus 1790 werd Beekhuizen officieel geopend. In de hermitage van Beekhuizen lag een gastenboek, de Lijste der Personen, die de Grote Cascade van Biljoen in Beekhuizen met hun bezoek vereert hebben. Deze lijst begint met 29 ‘aout’ 1790. Een maand later, onder 29 ‘sept’ 1790, zijn de namen van onder andere H. Brantsen, W.R. Brantsen en hun zwager G. van Hasselt te vinden.[xli] Mogelijk volgde daarna een parkaanleg op Vijverberg met als resultaat de eerste vernoeming in 1793 door Otto van Eck.

Misschien is Vijverberg te zien als klein Beekhuizen. Dan is het op sommige punten een mager aftreksel daarvan, maar wat de hermitage betreft lijkt het Beekhuizen te overtreffen. De Vijverbergse tekstfragmenten tezamen geven namelijk het beeld van een ensemble. Een ensemble bestaande uit een eiland met een hefbrug en op het eiland een hermitage als een huisje van mos met daarin inscripties, een kartonnen doodshoofd en een houten beweegbare heremiet die bijbel staat te lezen. Is dat in een bidvertrek? Of staat dat bidvertrek op het kerkhof op hetzelfde eiland met skelet en graven met bijschriften? Ook andere inscripties[xlii] zijn op het eiland te vinden, net als twee hutjes met afbeeldingen, beelden of afgietsels van Menno[xliii] en Paracelsus.[xliv] De hermitage is volgens de regels der kunst geplaatst in een afgelegen deel van het park, op een donkere plek omgeven door naaldhout,[xlv] verwijzend naar melancholie, eenzaamheid, duisternis en dood.[xlvi] Maar in dit geval wel een plek met een overdadige aankleding. Overdaad schaadt, lijkt het oordeel van De Clercq. Gelijktijdig is het toch ook, zij het wel heel rijk, een ensemble volgens het boekje, of beter gezegd, volgens het voorbeeldenboekje,[xlvii] zoals bijvoorbeeld Magazijn van tuin-sieraaden (1802-1809) van Gijsbert van Laar (1768-1820).

De opmerkingen van Otto van Eck uit 1793 maken echter duidelijk dat de hermitage met haar aankleding al een tiental jaren bestond voor het eerste katern van het Magazijn verscheen.[xlviii]

afb10-Vijverberg-Holwerda-2014

Levend verleden
Binnen een ensemble als hierboven geschetst, en in een landschapspark in het algemeen, was ook wel eens sprake van levende stoffering. Denk aan de eerder genoemde levende ‘hermiet’ van Biljoen. Lichtenbeek moest het met een kluizenaarspop stellen, dus van levende stoffering van het landschapspark was hier geen sprake. Hoewel, mogelijk niet zo bedoeld, maar de beschrijving van ‘den heer Brantzen als een kwakzalver opgetooid (…)’ doet wel aan levende stoffering denken.

Tot slot, het waardeoordeel van De Clercq mag dan niet positief zijn: ‘Deze plaats is schoon aangelegen doch wat de vercierselen betreft dezelve zijn juist niet door den besten smaak ingeboezemd.’ Toch, na een wandeling anno 2016 waarbij de structuren en patronen nog steeds zijn als die van tweehonderd jaar geleden, de toenmalige vroeg-landschappelijke invulling ingekleurd wordt door de tekstfragmenten en met name het ensemble van de hermitage indruk maakt, is de afsluiting van Esser Meerman misschien wel het meest passend: ‘verlieten [wij] deze plaats, welke, hoezeer niet mooier, ons echter vreemde en nieuwe gezichten opgeleverd hadt.

Noten

[i]           Lichtenbeek en Vijverberg zijn in het bezit van Stichting Geldersch Landschap en Kasteelen, sinds respectievelijk 1940 en 1932. Het terrein ten noorden van de Amsterdamseweg wordt met Vijverberg aangeduid sinds de bouw van de bosarbeiderswoning De Vijverberg (1873) aan dezelfde weg. SB4, Waardering van lanen in het buitengebied van Arnhem-Noord, Wageningen 2005.

[ii]   Opregte Haarlemsche Courant, 24 februari 1827.

[iii]   Opregte Haarlemsche Courant, 20 maart 1834.

[iv]  Algemeen Handelsblad, 20 augustus 1857.

[v]   Algemeen Handelsblad, 19 augustus 1858.

[vi]  Algemeen Handelsblad, 24 augustus 1858.

[vii]        Over hem: Menno Potjer, Het geheim van Wilhelm Craeyvanger. De loopbaan van een Arnhemse regent in de zeventiende eeuw, Arnhems Historisch Tijdschrift‎ 32 (2012) 3, p. 137-160. Tevens: Website Wikipedia, 2 augustus 2014,

http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Craeyvanger.

[viii]        Bernard Harscamp was luitenant van de schutterij St. Joost, burgemeester van Arnhem en lid van Gedeputeerde Staten. A.J. van de Ven, De oude buitenverblijven rondom de stad, in: S.J.R. de Monchy, Arnhem zeven eeuwen stad, Arnhem 1933, 187-223.

[ix]         De Navorscher. Een middel tot gedachtenwisseling en letterkundig verkeer tusschen allen, die iets weten, iets te vragen hebben of iets kunnen oplossen, 31 (1881), p. 279.

[x]          De familie Harscamp en Lambert Sandijck worden genoemd in A.G. Schulte en C.J.M. Schulte-van Wersch, Monumentaal groen: Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken, Utrecht 1999, p. 56-58.

[xi]         Gelders Archief, Arnhem (hierna: GldA), toeg.nr. 2003 ORA Arnhem, inv.nr. 426 1737-1742, folio 242v-243v, 29 juli 1741. Hieruit blijkt dat na Lambert Adolfsen Sandijk (1659-), dochter Geertruijt Sandijk (1694-1731) eigenaar is. Na haar dood vererft Lichtenbeek op haar man Willem Hendrik de Greve (1698-1740) en hun kinderen. Na zijn dood vererft Lichtenbeek op zijn tweede vrouw Aleijda Geertruijt Bosboom en de kinderen uit beide huwelijken. Zij verkopen Lichtenbeek aan Brantsen-Tulleken.

[xii]        GldA, toeg.nr. 2003 ORA Arnhem, inv.nr. 424 1737-1742, 14 april 1741.

[xiii]       M.J. de Man, Topographische kaart van de Veluwe en de Veluwezoom (1802-1812), Alphen aan den Rijn 1984.

[xiv]       Website WatWasWaar, http://watwaswaar.nl: Kadastraal Minuutplan Gemeente Arnhem sectie G genaamd Ligtenbeek in een blad. Het verzamelplan is gedateerd 1821.

[xv]        Otto van Eck, Arianne Baggerman, Rudolf Dekker en Jeroen Blaak, Het dagboek van Otto van Eck (1791-1797), Hilversum 1998, p. 112.

[xvi]       Journaal van Een Plaisir Reysje door Gelderland na Cleef en te rug van 2 July tot 19 July 1807. Gedaan door C. Faber en Huysvrouw, D. Boissevain en Huysvrouw, met Eigen Halve Kapwagen, Koetzier en Twee Paarden, Stadsarchief Gemeente Amsterdam, toeg.nr. 394 Archief van de Familie Boissevain en Aanverwante Families, inv.nr. 1.4.1.4, p. 27. Ook in Charles Boissevain, Onze voortrekkers. De geschiedenis van eenige leden der familie Boissevain, Amsterdam 1906, 90-103.

[xvii]      Jhr. Mr. M.W. Snoeck (medegedeeld door), Een uitstapje in de environs van Arnhem September 1813 door N. Esser Meerman, in: Bijdragen en mededeelingen der Vereeniging Gelre XXXVI (1933), p. 145-158.

[xviii]     Website Resources Huygens ING, 2 augustus 2014, Dagboek van Willem de Clercq 1811-1830, Deel V (1815), p. 206-208,

http://www.historici.nl/retroboeken/declercq.

[xix]       Isaac Anne Nijhoff, Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, of Geschiedkundige en plaatsbeschrijvende beschouwing van de omstreken der stad Arnhem, Arnhem 1820. Gebruikt is een herdruk uit 1976, van de vierde druk uit 1828, 82-84.

[xx]        Amsterdamseweg 232, Arnhem.

[xxi]        Van der Aa gebruikt in zijn beschrijving van Lichtenbeek dezelfde bewoordingen en verwijst vervolgens naar Nijhoffs Wandelingen in een gedeelte van Gelderland. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden deel 7, Gorinchem 1846, 296.

De vijfde verbeterde druk van Nijhoff’s Wandelingen in een gedeelte van Gelderland uit 1836 laat de hele beschrijving van de grot bij de sprengkop (als in de vierde druk) achterwege.

[xxii]      Ook de sprengkop op landgoed De Hemelsche Berg (Oosterbeek) werd De Hel genoemd. Een vergelijkbare naam is hell Colck of helle kolk: een vijver aan de voet van de helling van de Veluwezoom bij kasteel Doorwerth.

[xxiii]     De laan, tegenwoordig een pad, wordt genoemd in J. Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 4, Haarlem 1879, 125. Met dank aan Wim Meulenkamp.

[xxiv]     In de onmiddellijke nabijheid van deze locatie is een ondergrondse ijskelder met bovengronds een slechts driesteens hoog muurtje en een ijzeren dekplaat. Vriendelijke mededeling Ciska van der Genugten.

[xxv]      Anno 2016 kan hier een gedeelte van de sprengenbeek niet worden gevolgd. De reguliere paden voeren echter wel naar het genoemde, voormalige hoogtepunt van de wandeling.

[xxvi]     A.G. Schulte en C.J.M. Schulte-van Wersch 1999, 57; helaas zonder bronvermelding. De bron bleek te zijn: GldA, toeg.nr. 1515 Documentatie Gelders Archief (ADC), inv.nr. 404 Gedicht “De Hermiet ter verdediging van zijnen afgezonderden levensstand, in de Hermitagie op de Ligtenbeek te Arnhem”. Met dank aan Menno Potjer.

[xxvii]    In de vijfde verbeterde druk van Nijhoff’s Wandelingen in een gedeelte van Gelderland uit 1836 wordt ook de hermitage niet meer genoemd.

[xxviii]   ‘t Eilandje, Dorpskrant Schaarsbergen; informatieblad van de Dorpsraad (1994), nr. 85, 4-5. Het artikel meldt ook dat de vijver in 1935 droog stond en er gras in groeide.

[xxix]     Zie Bert Koene, Schijngestalten. De levens van diplomaat en rokkenjager Gerard Brantsen, Hilversum 2013.

[xxx]      Gérard Derks, Brantsen, een regentenfamilie en haar buitenplaatsen, in: Elyze Storms-Smeets (red.), Gelders Arcadië. Atlas van een Buitenplaatsenlandschap, Utrecht 2011, 50-57; P.G. Aalbers, Het Arnhemse regentengeslacht Brantsen, in: Arnhem de Genoeglijkste 29 (2009) 1, p. 32-46 ; C. Schulte, ”de Soete Ruste van een aangenaam Buijtenleeven”. De familie Brantsen en haar buitenplaats Zypendaal in Arnhem, Arnhem de Genoeglijkste 29 (2009) 4, p. 138-157.

[xxxi]     Op Laag Oorsprong is in 2008 een nieuw, op het oorspronkelijk bouwsel geïnspireerd grothuisje tot stand gekomen.

[xxxii]     Met dank aan Sandra Niessen voor foto’s van betreffende pagina’s uit Journaal gehouden door de juffrouw Jacomina Scheltema gebooren van Nijmegen van Rotterdam over Utregt, en een gedeelte van Gelderland, Overijssel Drenthe Gorningerland Friesland benevens ´t Eijland Texel, de Helder Alkmaar Beverwijk Haarlem Leijden te rug na Rotterdam.

Door Sandra Niessen aangehaald in het artikel De Oorsprong gezien door 18de eeuwse toeriste, De Veluwe Post, 22 februari 2008, p. 8.

[xxxiii]   Jan Holwerda, Het cascadedal van landgoed De Duno te Doorwerth, in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (eindred.). Tuingeschiedenis in Nederland. Veelzijdig erfgoed in ’t groen, Utrecht 2009, p. 65-78.

[xxxiv]   H. Kerkkamp, Verloren luister: verdwenen landgoederen, Velp 1969, p. 103.

[xxxv]    Derk Willem Abraham Brantsen is een zoon van Johan Brantsen en Hester Henriëtte de Vree, en Gerhardina Abigael Agatha Brantsen is dochter van Hendrik Willem Brantsen en Johanna Elisabeth de Vree; of te wel de respectievelijke vaders waren broers en de moeders zussen (en ooms en tantes van Elisabeth Brantsen).

[xxxvi]   De datering in of voor 1797 hangt samen met een gastenboek dat in de hermitage lag die op deze kaart wordt verbeeld. Dit gastenboek begint met 29 april 1798.

[xxxvii]  U. M. Mehrtens en H. M. J. Tromp, Biljoen en Beekhuizen te Velp, Deel 14 van Bijdragen tot het bronnenonderzoek naar de ontwikkeling van Nederlandse historische tuinen, parken en buitenplaatsen, Zeist 1984, p. 23-24.

[xxxviii] Mehrtens en Tromp 1984, p. 16.

[xxxix]   Mehrtens en Tromp 1984, p. 24.

[xl]         W.F.W.M. van Heugten, Zurück zur Urquelle der Natur. Een romantische wandeling van een Kleefs patriot naar Rozendaal en Beekhuizen in augustus 1792, Bijdragen en Mededelingen Gelre LXXXIV (1993), p. 98.

[xli]         GldA, Inv. 0508 Handschriften Rijksarchief in Gelderland, nr. 432. Kopie van het origineel in particulier bezit, lopend van augustus 1790 tot september 1795.

Overigens staat, met het ontwerp voor Rhederoord door Posth uit vermoedelijk 1797 in het achterhoofd, de naam D.W.A. Brantsen (eigenaar van Rhederoord) onder 20 ‘juillet’ 1792 en 21 ‘aug’ 1796.

[xlii]       Een ander voorbeeld van een inscriptie, in het Frans met een Nederlandse vertaling, staat in J. Anspach, De Veluwse familie Tulleken en hare aanverwanten, 1882, 254-255. Te lezen valt dat Gerhard Tulleken (1764-1833) de inscriptie optekende, deze was op Lichtenbeek bij een hermitage op een steen gegraveerd.

[xliii]       Menno is Menno Simons (circa 1496-1561), een Nederlands voormalig rooms-katholiek priester en kerkhervormer (wederdopers).

Website Wikipedia, 2 augustus 2014, http://nl.wikipedia.org/wiki/Menno_Simons.

[xliv]      Paracelsus is Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim (1493 of 1494-1541), een beroemde arts en theoloog die zich ook bezighield met alchemie en astrologie.

Website Wikipedia, 2 augustus 2014, http://nl.wikipedia.org/wiki/Paracelsus.

[xlv]       Behulpzaam bij het ‘groene’ deel van de aankleding is Nicolaas Meerburgh, Naamlijst der boom- en heestergewassen dienstig tot het aanleggen van lustboschjes of zogenaamde hermitagiën, Leyden 1782. Meerburgh schrijft: op meest alle Lusthoven, al zyn dezelven niet zeer uitgestrekt, zonderd men thans de eene of andere plaats af, om een zogenaamde Hermitagie aanteleggen, en met verscheidenheid van gewassen te vercieren. Volgens Meerburgh heeft de lusthofbezitter geen idee wat te planten en wat verkrijgbaar is. Hierin moet zijn naamlijst voorzien. Opvallend is het vroege jaartal en het onderkennen van de hermitage als een modeverschijnsel. Hiernaast valt op dat de naamlijst wel erg lang en weinig specifiek is.

[xlvi]      Voor meer over hermitages en kluizenaars zie: Wim Meulenkamp, ”Eene schilderachtige hermitage…”: een inventaris van sierhermitages en kluizenaarspoppen in Nederland, Antiek 21 (1986) no. 5, p. 297-301 en Wim Meulenkamp, De cultus van de hermitage in Nederland, in: M. Bison e.a., O Laage hut! Meer grootsch dan vorstelyke hoven, Beverwijk 1993, p. 57-74.

[xlvii]     Een nog steeds bestaand ensemble is dat bij Vilsteren: een hermitage met een passend sober ingericht interieur en in de onmiddellijke nabijheid een schijngraf. Wim Meulenkamp, Kluizenaars, boeren en dagloners: levende en quasi-levende stoffering in de landschapstuin, in: C. van Eck, J. van den Eynde & W. van Leeuwen (red.). Het schilderachtige : studies over het schilderachtige in de Nederlandse kunsttheorie en architectuur 1650 – 1900, Amsterdam, 1994, p. 74-84.

[xlviii]    In dit verband is overigens een advertentie uit Floralia, geïllustreerd tuinbouwblad van 1880 wel heel aardig: de tuinbaas van Lichtenbeek biedt een exemplaar van Van Laar’s afbeeldingen van Tuinsieraden en Aanleggen ter overname aan.

(Jan Holwerda (1960) studeerde aan de Hogere Bosbouw en Cultuurtechnische School te Velp (huidige Hogeschool Van Hall Larenstein). Zijn groene opleiding en interesse voor geschiedenis leidde in de loop der jaren tot verdieping in de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur en tot allerlei publicaties op dit terrein.)