Verslag jaarvergadering 30 maart 2017

Na het huishoudelijk gedeelte van de jaarvergadering, die op zeer efficiënte wijze door onze voorzitter werd geleid, waren er twee zeer interessante voordrachten.
Charlotte Witte beet de spits af en vertelde over de stuifzandbestrijding op de Veluwe en dan met name over het verschil van inzicht hierin tussen de Harskampers en de provinciale overheid. Vanaf de 16e tot 19e eeuw vormde het bestrijden van stuifzand een belangrijke taak van de provinciale overheid. Men was bang dat dit zand wegen of zelfs hele dorpen ging overstuiven en ook ‘onze’ beken liepen gevaar gezien een citaat uit 1823: “De zanden doen de kwellen en beken opdrogen of verstoppen”. Op allerlei manieren werd geprobeerd het zand te beteugelen. Er werden windschermen geplaatst van takkenbossen (bekribbing), er werd gewerkt met heideplaggen of er werd helmgras of bomen geplant (Bijv. Eik, vuilboom en vanaf circa 1800 ook Grove den). Dit alles met wisselend succes. Ook landeigenaren of gemeenschappen, zoals de Harskampers die gezamenlijk grond bezaten, werden verplicht tot het uitvoeren van maatregelen. De Harskampers wilden het echter wel op hun eigen manier doen, omdat in hun ogen de Provinciale overheid onvoldoende rekening met hun belangen hield. Zo was er rond 1846 een discussie over de plaats waar een ringwal moest worden aangelegd. De provinciale overheid wilde die op een stuk hei aanleggen terwijl de Harskampers dit liever in het zand deden (Heide was economisch erg waardevol). De maatregelen hebben door allerlei oorzaken een wisselend succes en uiteindelijk stopt de overheid met hun (financiële) hulp in 1852. Daarna doen de Harskampers het zelf en nu lijken de maatregelen langzaamaan succes te hebben. Vanaf 1870 begint het stuifzand steeds verder dicht te groeien, zodanig dat er nu onder de natuurwetgeving van Natura 2000 weer stemmen opgaan om het oppervlak aan stuifzand toe te laten nemen. Het onderzoek gaf een aardig kijkje in de keuken van vroeger. Maar eigenlijk is er sindsdien in de menselijke samenwerking weinig verandert: een top-down beleid vanuit de overheid leidt tot verzet en in sommige gevallen is het veel effectiever om de regels lokaal te organiseren. De overheid weet ten slotte niet altijd wat goed voor u is!
Vervolgens heeft Judith Westveer verteld over haar onderzoek in de Leuvenumse beek. Haar promotieonderzoek aan de Universiteit van Amsterdam richt zich op de verspreiding en kolonisatie van ongewervelde dieren (macrofauna) na het uitvoeren van beekherstelmaatregelen. Met haar onderzoek probeert ze een antwoord te vinden op de vraag welke eigenschappen maken dat een soort een nieuw of hersteld beektraject snel kan bevolken.
Haar onderzoek liet zien dat de kolonisatie vrij snel gaat. Na 1 jaar werden er geen nieuwe soorten meer aangetroffen. Wel bleef de totale hoeveelheid soorten achter bij de verwachting. Zo zijn er in de bovenstroomse delen van de Leuvenumse beek in totaal zo’n 250 macrofauna soorten aangetroffen (data waterschap Vallei en Veluwe), terwijl er in het onderzochte beektraject een kleine 100 soorten werden aangetroffen. Dat maakt het interessant om na te gaan waarom bepaalde soorten dit nieuwe beektraject wel kunnen koloniseren en anderen niet. Uit Judith haar onderzoek blijkt niet geheel onverwacht, dat de dichtheid van de soort bovenstrooms en de afstand van de dichtstbijzijnde vindplaats belangrijke factoren zijn. Daarnaast bleken echter ook andere factoren een belangrijke rol te spelen. Zo bleken predatoren een opvallend goed koloniserend-vermogen te hebben, waren soorten die zich actief voortbewegen (“lopen”) succesvol en bleken ook soorten die als “verzamelaar” hun eten bij elkaar sprokkelen succesvolle kolonisten. Door dit onderzoek hoopt Judith uiteindelijk voldoende inzichten te krijgen om verwachtingen voor toekomstige situaties op te kunnen stellen. Zo zou het voor een beheerder heel nuttig zijn om te weten of een bepaalde doelsoort na een herstelproject ook daadwerkelijk het aangepaste beektraject zal gaan koloniseren.

Jaap Postma