“Als het waaide dan wapperden de panden van de grijze kiel achter hem aan”

Herinneringen van Janna Rodijk-Heering aan haar oom, Aart Johan Heering, de laatste molenaar op de Kopermolen in Zuuk (1900-1975).  

Door Jan Wouter van der Straaten en Henri Slijkhuis

Inleiding

Jan en Janna Rodijk wonen al decennia in het huis, dat hoort bij de Kopermolen in Zuuk. Janna stamt uit de familie Heering. Deze familie is al sinds 1858 eigenaar van de Kopermolen. Aart Johan Heering is de laatste actieve molenaar. Hij overlijdt in 1975. Janna noemt hem “oom”. Haar vader erft de molen en verhuist met zijn vrouw en dochter naar de molen. Dat is geen verre reis, want zijn boerderij staat tegenover de Kopermolen. Janna trouwt in 1981 met Jan Rodijk en zij passen sindsdien zorgvuldig op het monument. Hier volgt haar verhaal over Aart Johan Heering, de laatste molenaar.

De Klaarbeek

 “Ik wist niet anders dan dat oom Aart aan de overkant op de Kopermolen woonde. Ik speelde daar vaak met vriendinnen. In de Klaarbeek vingen we visjes zoals stekelbaarsjes en modderkruipers. Die laatste noemden wij “meerpoeten”.  Er zaten ook heel veel palingen. Mijn vriendinnen zeiden ook “oom” tegen hem.

Het waterrad moest onderhouden worden. Op zo’n moment mocht er geen water op het rad komen. Dit water werd ervoor omgeleid en het water kwam terecht via een sloot in de nabije lager gelegen Verloren Beek. Er zat een opening in de dijk van de Klaarbeek, die afgesloten was door een schot. Als het schot opengetrokken werd, liep het water via een buis door de dijk en een sloot naar de Verloren Beek. Op de plek waar het water uit de buis kwam, zette mijn vader één ijzeren mand. Hierin werden de palingen gevangen. Dat er in mijn jeugd zoveel palingen in de Klaarbeek zaten, is nu niet meer voor te stellen. Ik stond erbij als mijn vader de palingen klaarmaakte. Hij maakte onder de kop een sneetje, dan ging het vel eraf en daarna de kop. Mijn moeder heeft een keer geprobeerd om die palingen te wecken, maar dat mislukte.

Als het waterrad gerepareerd moest worden, kwam de molenmaker. Om de maalsteen te scherpen (billen) verscheen ook een speciaal iemand. Er waren ook molenaars, die dat zelf deden.

We speelden soms in het molengebouw. Als oom daar aan het werk was en ons zag, werden we weggestuurd. Ik hielp oom soms om de zakken naar de zolder te hijsen. Er was een takel, die met behulp van waterkracht de zak naar boven trok. Zonder water had je namelijk geen energie. Tegenwoordig hebben we de helft van het jaar geen water meer in de Klaarbeek.  

In de winter werd er geschaatst op de beek. Voor de molengoot was de Klaarbeek flink verbreed en ontstond er bij vorst een mooie baan. Kinderen uit de buurt bonden daar de schaatsen onder. Mijn oudste zus organiseerde er met een vriendin schaatswedstrijden, waar ook echte prijsjes te winnen waren.

De ULO

Evenals mijn vader is oom naar de ULO geweest. Ze hebben de school geen van tweeën afgemaakt. In mijn jaren op de ULO zat ik ’s avonds vaak in het huis bij oom huiswerk te maken. Hij ging dan koffie drinken bij mijn vader en moeder.  ‘s Avonds  gebruikte hij een zogenaamde knijpkat. Mijn moeder zei vaak, ‘koop toch eens een goeie zaklamp”, maar dat deed hij niet.

In zijn kamer stond een fijne haard en het was er heerlijk warm. Er hing een mooie petroleumlamp met een kralen gordijn. Als ik naar huis ging, moest ik die lamp uitdoen en zocht dan in het donker de weg naar de voordeur. Ik ben één keer verdwaald in dat huis. Toen liep ik de verkeerde kant op in de gang en raakte zelfs een beetje in paniek. Het was pikdonker en ik wist niet meer waar ik was. Op een gegeven moment kwam ik in de buurt van de tikkende klok. Ik wist waar die hing en kon me weer oriënteren.

Vast weekritme

De week had een vast ritme. Zondag was een echte rustdag. Oom ging niet naar de kerk. Hij was praktisch doof en zou niets horen van de kerkdienst.  Hij en mijn vader hoorden bij de Grote Kerk in Epe. Ik heb nog twee belijdenisbriefjes van hen gevonden. Ze zijn alle twee in Epe aangenomen en bevestigd. 

Oom kreeg het veevoer binnen van een leverancier. Sommige grootverpakkingen werden in kleinere porties van 10 of 20 kilo verdeeld. Hij verkocht ook veekoeken, likstenen en kippenvoer. Er kwamen heel wat mensen langs om dit voer te kopen. Gerard Brummel bracht één of twee keer in de week bestellingen rond met paard en wagen door de hele omgeving. Mijn man Jan hielp in zijn jeugdjaren mijn vader op zijn boerderij. Als ze dan naar het land moesten, vroeg oom ook wel eens of ze wat voer wilden afleveren bij mensen, die op of vlakbij de route woonden. In het begin gebeurde dat met paard en wagen en later met de tractor.

Oom maalde tot eind jaren vijftig graan, dat door de boeren werd gebracht. Bij voldoende water deed hij dat nog met waterkracht, bij weinig water schakelde hij een elektromotor in. Die had hij in 1950 aangeschaft, toen er elektriciteit werd aangelegd.

Mijn vader bracht ook wel eens voer rond voor zijn broer en dan ging ik graag mee. Goed herinner ik me de twee broers aan de Ravenstraat, Jones en Jannes. Alleen de namen al lieten mij lachen. Het waren twee ongetrouwde broers, hoewel Jannes later nog getrouwd is. Ze woonden in een kleine boerderij. Beide waren aardig voor mij en ik kreeg vaak een snoepje of een appel.

Klanten

‘s Morgens na de koffie kwamen de eerste klanten voer halen. De gekochte zakken werden op de transportfiets of met de kruiwagen vervoerd. Voor de mannen weer naar huis gingen, werden alle nieuwtjes van de buurt besproken. Vanaf 1965 kreeg oom AOW, maar veranderde er niet veel voor hem. Hij ging gewoon met het bedrijf verder. Hij bleef zijn producten aan zijn klanten leveren. Hij verkocht ook kunstmest, die met een vrachtwagen werd gebracht. Dat deed hij in samenwerking met Smit in Epe, die ook een kunstmesthandel had. Ik ging dan naar Smit om de bestelling van oom aan hem door te geven. Bij de aflevering werd de vrachtauto voor het eerste raam van de Kopermolen gezet. Een paar mannen stonden op de auto en schepten de kunstmest door het raam met grote schoppen naar binnen.  In de Kopermolen werd de kunstmest voor verkoop in jute zakken gedaan en gewogen.

Oom had geen telefoon, omdat hij veel te doof was. Mijn ouders hadden wel telefoon. Die kwam begin jaren zestig. Ik werkte in die jaren in Rijssen en zat daar op kamers. Voor het huisje waar ik woonde stond een telefooncel en zo kon ik naar huis bellen. Dat ging nog niet rechtstreeks, maar via een juffrouw in de telefooncentrale. Zij gaf ook een signaal als de tijd bijna om was. Soms vergat ze dat te zeggen en kon ik heel lang bellen.

Oom hoorde volgens mij bijna niets van de onderlinge gesprekken tussen de boeren. Hij was eraan gewend. Als wij bij elkaar waren en ergens om moesten lachen, lachte hij ook mee, zonder te horen waar het over ging. Wilde je hem iets duidelijk maken, dan moest je heel hard praten. Hij had wel een gehoorapparaat, maar daar zat telkens weer stof in en moesten we naar Zwolle om het te laten schoonmaken of te repareren.

Ik denk, dat er voor hem na zijn 65e niet zoveel veranderde. Hij had niet veel nodig en er was voldoende geld. Toen er elektriciteit op de molen kwam, werd er op waterkracht doorgemalen. Alleen als er te weinig water was, werd elektrisch gemalen.

Oom ging voor een bezoek aan kapper Schurink aan de Stationsstraat naar het dorp toe. Niet alleen om te knippen maar ook om zich te laten scheren. Hij ging ook wel op pad om klanten aan te spreken, die niet betaalden. In zijn daagse kleding sprong hij daarvoor op zijn fiets. Daar zag je hem ook op als kwajongens een dam in de beek gebouwd hadden. Hij had zo’n grijze kiel aan en als het waaide dan wapperde de panden van de kiel achter hem aan. Hij droeg altijd klompsokken in de klompen. Hij had witte, niet geschilderde exemplaren van klompenmaker Elskamp.

Het kasboek

We hebben nog een kasboek van oom. Vaak lees je daar ‘ ledige zakken terug’. Het staat vol met allerlei tekens en een paar kruisjes. Die laatste staan achter namen van mensen, die denk ik, de geleende zak nog niet terugbrachten.

In de oorlog waren er evacuees bij oom op de Kopermolen. Het was een gezin uit Vlaardingen De kinderen kwamen heel vaak bij ons aan de overkant. We hebben lang contact met ze gehad. De laatste jaren niet meer omdat ze naar Canada geëmigreerd zijn. Mijn moeder is nog een keer naar Canada geweest, waar ze een zuster had wonen. Ze heeft toen Lientje, één van de evacuees, ook bezocht. Dat bezoek heeft heel veel indruk op haar gemaakt, want ze had het er naderhand vaak over.

Bij oom in huis hebben verschillende mensen gewoond. Oom had ook hulp in de huishouding van vrouw Bos, die hier in de buurt woonde. Zij heeft heel veel voor hem gedaan.

Ik herinner me ook de appelkamer bij oom in huis. Daar lagen altijd appels opgeslagen en het rook er heerlijk. De meeste appels waren goudrenetten, maar ook notaris- en zoete appels zaten er tussen.

Het einde

In 1975 heeft oom een hartstilstand gekregen. Na zijn dood jaar zijn we een jaar later naar de Kopermolen verhuisd. Mijn vader wilde graag terug naar zijn geboorteplek”.

Nawoord

De Kopermolen in Zuuk is van grote cultuurhistorische waarde. De watermolen en de omliggende molenbiotoop laten de vroegere ambachtelijke bedrijvigheid zien. Wie nu door het gebouw loopt, zet als het ware een stap terug in de tijd. In het gebouw lijkt van het ene op het andere moment het werk te zijn stilgelegd. Er is niet veel fantasie voor nodig om molenaar Aart Johan bij de maalstenen en de zakken meel aan het werk te zien. Zelfs de droogtouwen uit de negentiende eeuwse papierperiode zijn op zolder aanwezig.

Bijlage

Molenaarsgeslacht Heering

1673- ?        Daniël Heering is kopersmid in Sühlen Nütschau en emigreert naar Vaassen als koperslager

1723-1779    Paul Heering (senior) is koperslager op de Amsterdamse Kopermolen in Vaassen

1753-1826    Paul Heering (junior) is molenbaas op de Amsterdamse Kopermolen

1823-1902    Aart Heering is papierfabrikant op  “Het Hof” in Vaassen en koopt in 1858 de Kopermolen in Zuuk en maakt er een papiermolen van

1860-1932    Gerrit Willem Heering is graanmolenaar op de Kopermolen

1900-1975    Aart Johan Heeringis de laatste molenaar op de Kopermolen

1906-1980    Jan Anton Heering is landbouwer en is eigenaar van 1975-1980 van de Kopermolen. Na zijn overlijden in 1980 is zijn vrouw Geertruida Bossenbroek eigenaresse tot haar overlijden in 1987

1938-heden   Janna Heering is getrouwd met Jan Rodijk en zijn sinds 1987 eigenaren van de Kopermolen