Samen sterk voor de unieke beekprik

Nieuwe informatieborden bij de Koppelsprengen in Ugchelen

Maart, 2016.

In de Koppelsprengen bij Ugchelen zwemt de beekprik. Dit ‘palingachtig visje’ is uniek en wettelijk beschermd. Op initiatief van Waterschap Vallei en Veluwe zijn hier drie informatieborden geplaatst om mensen bewust te maken van de beekprik en hoe zij dit unieke beestje kunnen sparen. Vertegenwoordigers van diverse partijen stonden hierbij stil op 23 maart.

Samen sterk voor de beekprik (foto Vallei en Veluwe)

Samen sterk voor de beekprik (foto Vallei en Veluwe)

Heemraad (dagelijks bestuurslid) Frans ter Maten van Waterschap Vallei en Veluwe nodigde alle betrokken organisaties uit voor een wandeling door de Koppelsprengen om de paaiende beekprik te bekijken. Ter Maten benadrukte het belang van samenwerking tussen inwoners, organisaties en overheden. “Samen sta je sterk als je wilt werken aan schoon water en de flora en fauna, ook in dit unieke gebied.”

Samenwerking

Op de foto staan vertegenwoordigers van de samenwerkende organisaties en overheden rond één van de drie nieuwe informatieborden. Van links naar rechts: Wim Mulder (gemeente Apeldoorn), Jan van de Velde (Bekenstichting), Frans ter Maten (Waterschap Vallei en Veluwe), Nel Appelmelk (natuurfotograaf), Harry Vos (dorpsraad Ugchelen), Herman Geurts (commissie water van dorpsraad Ugchelen), Coby Kuipers (dorpsraad Ugchelen) en Jan Folbert (werkgroep sprengen en beken van de KNNV, vereniging voor veldbiologie). Op de foto ontbreekt Laurens Jansen van Staatsbosbeheer.

Beekprik

In de grindbodems van de Veluwse sprengen en beken, waaronder de Koppelsprengen, maken volwassen beekprikken een nestkuil voor hun eitjes. Eenmaal uit het ei leeft de beekprik ruim zes jaar als larve in de slibbodem. Dan wordt hij volwassen en zwemt stroomopwaarts op zoek naar partners om samen mee te paaien in het voorjaar. Na dit paaifeest sterven de beekprikken.

Nieuwe loop en monding Heelsumse beek

Het Waterschap Vallei en Veluwe is voornemens om, in samenwerking met Rijkswaterstaat, de monding van de Heelsumse beek in de Neder-Rijn een kilometer naar het westen te verplaatsen.

Huidige loop Heelsumse beek naar Neder Rijn (foto W.Kiel)

Huidige loop Heelsumse beek naar Neder Rijn (foto W.Kiel)

Dit betekent ook dat een nieuw stuk beek door de uiterwaard, de Jufferswaard, moet worden aangelegd.  Doel van de aanpassing  is om de Heelsumse beek ook in de uiterwaarden te laten voldoen aan de KRW-eisen (Europese Kader Richtlijn Water). Hieraan moeten zowel de Heelsumse beek (waterschap) als de Nederrijn met uiterwaarden (Rijkswaterstaat) uiterlijk eind 2015 voldoen. Momenteel voldoet de Heelsumse beek in de uiterwaarden niet aan de volgende KRW-eisen, om de volgende redenen:

  • de stroomsnelheid (permanent langzaam stromend);
  • de toegankelijkheid voor vis uit de Nederrijn;
  • de inrichting als paai- en opgroeiplek voor stromingminnende vissen.

Daarnaast is de Heelsumse beek door de Provincie Gelderland aangewezen als HEN (Hoogst Ecologisch Niveau)-water. Aan de hieraan gestelde voorwaarden voldoet de huidige loop in de uiterwaarden ook niet.

De problemen zitten voornamelijk in de monding. Daar is indertijd met veel beton een vistrap in de vorm van een cascade aangebracht en die functioneert niet, zeker niet bij lagere waterstanden.

Huidige monding (vistrap) van Heelsumse beek op Neder Rijn (foto W. Kiel)

Huidige monding (vistrap) van Heelsumse beek op Neder Rijn (foto W. Kiel)

Verder is de stroomsnelheid in het laatste beekdeel naar de vistrap toe zo langzaam, dat er daar veel slib wordt afgezet, hetgeen de waterkwaliteit niet ten goed komt en ook tot hoge onderhoudskosten leidt. In combinatie met de wens van Rijkswaterstaat om ergens langs de Rijn een paaiplaats voor stromingminnende soorten aan te leggen is men tot dit rigoureuze, maar ook uitdagende, plan gekomen.

Vanuit de Bekenstichting werd er aanvankelijk met scepsis naar de plannen gekeken. Een tweetal veldbezoeken met vertegenwoordigers van het Waterschap hebben ons inmiddels doen inzien dat de plannen het voordeel van de twijfel genieten  en dat er vrijwel geen alternatieven zijn. Wel heeft de Bekenstichting ervoor gepleit zo lang mogelijk de oude beekloop te volgen en is door het Waterschap de garantie gegeven dat ook nog een deel van het water via de oude loop en monding zal blijven stromen.

We krijgen dus een kilometer nieuwe beek door de Jufferswaard en aan het einde, onder de rook van de Parenco fabriek, een nieuwe monding in overigens een oude beekmonding van de Renkumse beek, die door aanleg van een “de Wit vispassage” migreerbaar is voor vis van en naar de rivier. Onderweg wordt een laag deel van de polder ingericht als paaiplaats. We zullen de werkzaamheden kritisch volgen en hopelijk kunnen we over enkele jaren genieten van spartelende rivierprikken en windes in de Jufferswaard en wie weet wat er allemaal nog meer in de Heelsumse beek komt wonen, maar dan moeten ook verderop nog wat stuwtjes en wellicht de passage onder de N225 worden aangepast om de beek echt migreerbaar voor vissen te maken tot aan de Wodanseiken.

Het gebied waardoor de nieuwe beekloop moet komen (foto W. Kiel)

Het gebied waardoor de nieuwe beekloop moet komen (foto W. Kiel)

De werkzaamheden zullen de tweede helft van het jaar hun aanvang vinden.

Peter Smits en Ruud Schaafsma

Heelsumse Beek Projectplan ontwerp (10-12-2013)

Definitief Ontwerp Profielen en details Heelsumse beek

Definitief Ontwerp Inrichtingstekening Heelsumse beek

 

 

Herinrichtingswerkzaamheden Leuvenumse beek – 2014

Op dinsdag 7 januari jl. hebben ondergetekende, Jacques Meijer en Wanda de Winter onder leiding van boswachter Mirte Kruit van Natuurmonumenten (NM) een bezoek gebracht aan delen van de Leuvenumse beek, welke binnenkort en in de loop van 2014 zullen worden aangepast (zie ook dit artikel). Het Waterschap Vallei &Veluwe voert deze werkzaamheden uit. Natuurmonumenten hecht veel waarde aan het informeren van ons als belangenorganisatie over de komende werkzaamheden.

Onze aandacht ging op dat moment vooral uit naar de Rode Spreng, vlakbij Landgoed Leuvenum. Deze spreng, die begint bij de Jonkheer Dr. C.J. Sandbergweg, zal worden gedempt omdat uit onderzoek blijkt dat hiermee een natuurlijk bronsysteem kan worden hersteld. Dit is dan ten gunste is van de natuurontwikkeling welke vooral bestaat uit vernatting van het bosgebied in dat gebied door het aanwezige kwelwater.

Plankaart gebied rode spreng

Plankaart gebied rode spreng

Wij hebben gezamenlijk de situatie ter plekke beoordeeld en begrijpen deze afweging van Natuurmonumenten. De Bekenstichting heeft hierbij gepleit voor behoud van de oorspronkelijk beekwallen als cultuurhistorisch relict. Eerder was ook een informatieavond gehouden voor bewoners en gebruikers van percelen in het gebied. Hierbij is Jacques aanwezig geweest. Natuurmonumenten heeft toegezegd dat beekwallen bij de werkzaamheden niet worden aangetast. De spreng zal met gebiedseigen zand (plagzand) worden gedempt. Het gebied zuidelijk van de Rode Spreng zal hierdoor vernatten, hetgeen allerlei mooie kansen geeft voor de ontwikkeling van bijzondere planten. Deze ontwikkeling is in dit gebied al ingezet.

Oorspronkelijke situatie Rode spreng

Oorspronkelijke situatie Rode spreng

2014-02_IGP0006

Oorspronkelijke situatie Rode spreng

Verder worden werkzaamheden uitgevoerd aan het Achterste gat, waar o.a. een vispaaiplaats zal worden aangelegd. Uit onderzoek blijkt dat tot aan de Zandmolen het infiltratieverlies van de beek beperkt is. Hierbij is beleming van de bodem in principe niet nodig. Men streeft ernaar het natuurlijk karakter te behouden, waarbij nu eenmaal soms droogval plaats vindt en soms door veel regenval overstroming van delen van het bos plaats vinden.

In het gebied tussen de Zandmolen en de A28, waar de beek langs de Poolse weg loopt, liet Mirte Kruit zien waar oorspronkelijke beeklopen zullen worden hersteld en delen van de huidige beek worden gedempt. Hierdoor zal een meer natuurlijke meandering plaats gaan vinden van de beek. Ook zijn we bij enkele karakteristieke plaatsen langs de beek geweest, zoals het “Heyligenhuys” en het “Heineken traject”. Dit laatstgenoemde traject zal niet worden ingericht omdat er teveel water wegzakt in de bodem.

De werkzaamheden worden vanaf week 3 uitgevoerd. Men begint met het kappen van bomen ten behoeve van de toegankelijkheid van materieel.

Topografische overzichtskaart Leuvenumse beek

Topografische overzichtskaart Leuvenumse beek

De getoonde kaarten zijn afkomstig uit het in opdracht van het waterschap opgestelde rapport “Ecohydrologische veldonderzoek dal Leuvenumse beek”.

Natuurmonumenten heeft aansluitend op deze bijeenkomst de Bekenstichting opnieuw uitgenodigd voor een excursie op woensdag 29 januari. De aannemer was nu begonnen met het aanbrengen van houtpakketten in de beek en men wilde ons en een aantal buurtbewoners laten zien hoe dat in zijn werk ging en met welk doel men dit deed.

We vertrokken vanaf de parkeerplaats aan het begin van de Poolseweg en zijn lopend een groot deel van het beektraject van de Leuvenumse beek langs gegaan tot aan het ‘Heyligenhuys’ dat vroeger op de rechter beekoever was gesitueerd, aldus de Veluwekaart 1802-1812 van kolonel M.J. de Man. Het doel van het aanbrengen van deze houtpakketten is een zekere “verstopping” van de beek te realiseren, waarbij dan bij normale beekafvoeren, in zowel zomer als winter het water het naastgelegen bosgebied kan instromen. Bij veel regenval zal dit eveneens plaats vinden op nog een aantal andere plaatsen, waarbij die gebieden tevens als waterberging dienen. In het begin van de beek is dit met zeer beperkte hoeveelheden takken of stammetjes gedaan, maar hoe verder we stroomafwaarts kwamen hoe zwaarder de pakketten zijn gemaakt. Rob Gerritsen van het Waterschap Vallei en Veluwe heeft hierover al eens eerder in de Wijerd (zie Wijerd december 2012, jaargang 33, nr.4) geschreven. Door de houtophopingen ontstaan verschillende effecten. Zand zal deels door de houtversperring worden vastgelegd en er ontstaan nieuwe voorkeurstromingen in de beek. Het doel is dat een beter ecologisch evenwicht ontstaat. Hierdoor zal beter aan de KRW richtlijnen kunnen worden voldaan.  Zoals weergegeven vernat het bos op een aantal plaatsen en dat kan aanzienlijk zijn. Op een aantal plaatsen zal dit redelijk snel weer in de bodem wegzijgen, maar ook kunnen er plaatsen zijn waar het water langer wordt vastgehouden. In het bos zal dus lokaal een vernatting plaats vinden, waardoor andere planten een kans krijgen.

2014-02 naamloos-0010
2014-02 naamloos-0004
2014-02 naamloos-0013

De kunst nu van deze werkzaamheden is, en daar zien Waterschap en Natuurmonumenten beiden op toe, dat  niet te veel vernatting mag plaats vinden in het bovenstroomse deel van de beek, waardoor bewoners en perceelgebruikers langs de Oude Zwolse weg en de Jhr. Dr. C.J. Sandbergweg en het gebied van Staverden van GLGK er geen last van krijgen. Verder mag er ook weer niet zo veel water worden vast gehouden dat er structurele droogval optreedt in het benedenstroomse beekdeel in het gebied westelijk van de A28. Ook moet vis stroomopwaarts langs de versperringen kunnen blijven komen. De verwachting is ook dat grindlagen vrijkomen door de stroming, waardoor er ook meer paaiplaatsen voor de beekprik ontstaan.  Dat betekent dus dat het project ook een experiment is. Op een aantal plaatsen langs de beek zijn hopen plagzand neergelegd. Deze zandsuppletie is bedoeld om in het geval dat de beek te diep wordt uitgesleten door de stroming, dit zand toe te voegen. Hoe dit uitpakt moet de praktijk nog uitwijzen. Natuurmonumenten kent het gebied erg goed en al vrij snel kan men zien wat het effect is van een zekere houtophoping op een bepaald beekdeel.  Het werk wordt door de aannemer in regie uitgevoerd en er wordt dan ook zo nu en dan wel eens wat aangepast in deze kunstmatige houtbarrières. De aannemer werkt met klein materieel en ook wordt een stevig Belgisch paard ingezet om stammen te verplaatsen in het bos.

De werkzaamheden zijn voor wat betreft het aanbrengen van de houtophopingen eind februari gereed. Na het broedseizoen zullen de werkzaamheden worden vervolg met de ontgraving van oude beeklopen in het gebied tussen de Zandmolen en de Doorbraak en tussen de Doorbraak en de A28. De bestaande beekdelen zullen hier worden gedempt. Ook hier zullen situaties worden gerealiseerd waarbij het beekwater bij hoge beekafvoeren vrij het bos in kan stromen.

Een ander aardig experiment vindt plaats in het gebied aan het begin van het traject langs de Poolseweg, voor het deelgebied het Achterste Gat. In dit gebied zijn maatregelen genomen, middels stuwtjes om het beekwater tot een zeker niveau op te stuwen over het naastgelegen land. Hierdoor zal het in hoge concentraties aanwezig fosfaat in de bodem op natuurlijke wijze worden uitgeloogd en via de beek worden afgevoerd. Dat is een proces dat wel enkele jaren in beslag zal nemen. Uiteraard zal in de beek en in dit gebied een monitoring worden opgezet.

Natuurmonumenten zal ons van het verloop van de werkzaamheden op de hoogte houden. Verder heeft Natuurmonumenten aangegeven dat zij bereid zijn voor onze stichting in het najaar een excursie te organiseren (oktober). Zij willen daarbij graag met ons in discussie gaan over hoe wij als stichting tegenover deze vernattingprocessen staan. Ook dient zich dan de vraag aan tot hoever de Bekenstichting hiermee akkoord kan en wil gaan vanuit het behoud van de beken en sprengen als belangrijke cultuurhistorische objecten. U hebt al kunnen lezen dat het voornemen is om de Rode Spreng te dempen. Ook hier is de aannemer inmiddels gestart met het uitbaggeren van de spreng die wordt gedempt en het aanbrengen van plagzand uit het gebied zelf om de beek te dempen. Een foto van het dempen is bij dit artikel opgenomen.

Werkzaamheden dempen Rode Spreng

Werkzaamheden dempen Rode Spreng

Mocht u in de buurt zijn, dan is het aan te bevelen in dit gebied eens te gaan kijken om te zien welke effecten de werkzaamheden hebben. Maar vergeet uw laarzen dan niet.

Wiebe Kiel – AB-lid Bekenstichting – 6 februari 2014

(Update: Op 10 februari werden de werkzaamheden rond het dempen van de Rode Spreng opgeleverd. Zie hier voor het persbericht van Waterschap Vallei en Veluwe.)

Van de aansluitende werkzaamheden na het broedseizoen in de loop van dit jaar een vervolgartikel worden gepubliceerd.

 

 

 

 

 

 

 

Herstel Leuvenumsebeek

Onderstaand artikel is verschenen in de Stentor van 6 februari 2014:

door Ton van Mourik LEUVENUM – „Marco, ho!” De kreet geldt niet voor een roekeloze wan­delaar die in het water dreigt te vallen. Het is een commando waarmee bosbouwer Reind Bee­len zijn trekpaard stopt. Op slag verandert de negenhonderd kilo wegende kolos op de linkeroever in een levend standbeeld. Aan de overkant wordt een boom losge­maakt van het sleeptouw. Marco trok de stam exact naar de ge­wenste plek. Heemraad Jan Verhoef van het Waterschap Vallei en Veluwe kijkt tevreden toe. „We werken niet in, maar met de natuur. Het doel is om de stroomsnelheid van de beek te verlagen en de bodem te verhogen. Over een lengte van zeven kilometer plaatsen we ‘pak­ketten’, de een hechter dan de an­der. Ophogen gebeurt met ge­biedseigen zand.”

Marco werkt samen met zijn baas Reind Beelen in het bos - foto Ruben Schipper.

Marco werkt samen met zijn baas Reind Beelen in het bos – foto Ruben Schipper.

„Tachtig”, geeft projectopzichter Marcel Timmer het aantal damme­tjes aan. Lukraak neergelegd wor­den ze niet. „Nauwkeurig bepaald door een onderzoeksbureau. We maken ze met beuk of den, waar topgewas van spar aan wordt toe­gevoegd.” De onderdelen voor de houten blokkades worden ter plekke uit het bos gehaald en ge­construeerd. Terwijl paard Marco alles met pientere ogen in zich op­neemt, klinkt het gegier van een kettingzaag: de volgende dwars­stam voor een pakket dient zich aan.

Verhoef weet dat de Leuvenumse Beek onderdeel is van een uitge­breid stelsel sprengen en wran­gen. „Door het reguleren van stroomsnelheid, verandert water­peil en wisselwerking. Op bepaal­de gedeelten voorkomen we zo overstroming en op andere droog­vallen in de zomer. Tegelijk wordt overmatig uitschuren van bed­ding en bodem tegengegaan.”

De heemraad kan prat gaan op dertig jaar ervaring. Hoewel tegen­woordig boer in ruste, trad hij in 1984 al toe tot de wereld van de waterschappen. Ondertussen klakt Reind Beelen zijn trekpaard in actie. Onverwacht gracieus neigt Marco het krachtige hoofd.

De imposant besokte benen ver­heffen zich. Bij elke dreunende stap trilt de bosgrond. De stoï­cijns doorstromende beek wordt tijdelijk overstemd door de ruisen­de bladerdos van de te verslepen berk.

In het water zelf drukt Douwe, een andere bosbouwer, het eerder gezaagde stammetje in de zijwan­den. De uiteinden zijn, met het oog op duurzame aanhechting, in­middels gepunt. Seizoensgebon­den kolkend water zal er lange tijd geen vat op krijgen.

Peter Dam van Natuurmonumen­ten is enthousiast over de inzet van trekpaarden. Enerzijds wordt er minder vernield omdat het looppad smaller is dan van rups­voertuigen, anderzijds kan een paard dichter bij oevers komen. Ei­genaar Beelen is desgevraagd niet bang dat Marco onverhoopt in het water terechtkomt. „Gelukkig, want op eigen kracht komt hij er niet uit. De wanden zijn te steil.”

De manier waarop Reind zich met Marco tussen andere bomen door beweegt, getuigt bijna van een naadloze choreografie. Door wie hen naloopt, is inderdaad nau­welijks verstoring te vinden. Hele­maal vreemd is dit niet. Beelen herinnert zich goed hoe hij als veertienjarige knaap voor het eerst met zijn vader meeging.

„Toen haalden we al hout met paarden weg”, verduidelijkt hij, met een vaag gebaar richting Nun­speet. „En ik ben bijna vijftig, dus tel maar uit.” Niettemin kennen man en paard elkaar pas een half jaar. Reind: „Twee anderen die ik had, gingen in een tijdbestek van twee maanden dood. Ziekte en ouderdom. Marco haalde ik daar­na uit België. Hij is zes jaar oud en diende eerder als dekhengst. Heeft alle spieren dus benut. Qua ras is het trouwens officieel een Belg.” Of Marco ook zou reageren op ‘Allee manneke, we gaan op ca­fé’? Reind lacht: „Probeer het maar.” 

 

Waterrad Begijnemolen Sonsbeek

Het nieuwe waterrad voor de Begijnemolen in Sonsbeek (Arnhem) is opgeleverd. Om het rad jarenlang de krachten van de Jansbeek te laten weerstaan is het verstevigd met stalen bouten en banden.

Joop Morsink met rad Begijnenmolen Sonsbeek in aanbouw (foto Jacques Meijer-Bekenstichting)

Joop Morsink met rad Begijnenmolen Sonsbeek in aanbouw (foto Jacques Meijer-Bekenstichting)

Met een shovel werd het rad, dat 1200 kg weegt, gekanteld, opgetild en op de Amsterdamseweg op een transportwagen gehesen. Het rad is naar de opslagloods van de firma Rap aan de Koningsweg gebracht. Bij de werkplaats De Helling werkt men nu verder aan de bak waarin het rad in de Jansbeek moet gaan hangen. Er wordt verwacht dat het rad in juni weer zal draaien.

Oude schets van een eerdere reconstructie van de Begijnemolen Sonsbeek toen er nog een situatie was met twee raderen achter de molen.

Oude schets van een eerdere reconstructie van de Begijnemolen Sonsbeek toen er nog een situatie was met twee raderen achter de molen.

In maart zal er een interview met Joop Morsink in de Wijerd verschijnen over Sonsbeek. In dit artikel komt het nieuwe rad ook aan de orde.

Leuvenumse beek

Op dinsdag 7 januari jl. hebben ondergetekende, Jacques Meijer en Wanda de Winter onder leiding van boswachter Mirte Kruit van Natuurmonumenten een bezoek gebracht aan delen van de Leuvenumse beek, welke binnenkort zullen worden aangepast. Het Waterschap Vallei&Veluwe voert deze werkzaamheden uit. Onze aandacht ging vooral uit naar de Rode Spreng vlakbij Landgoed Leuvenum. Deze spreng zal worden gedempt omdat uit onderzoek blijkt dat hiermee een natuurlijk bronsysteem kan worden hersteld hetgeen ten gunste is van de natuurontwikkeling in dat gebied. De Bekenstichting snapt deze afweging en pleit voor behoud van de oorspronkelijk beekwallen. Deze zullen bij de werkzaamheden niet worden aangetast. De spreng zal met gebiedseigen zand worden gedempt. Het gebied zuidelijk van de Rode Spreng zal hierdoor vernatten, hetgeen allerlei mooie kansen geeft voor de ontwikkeling van bijzondere planten.

Plangebied Leuvenumse Beek

Plangebied Leuvenumse Beek

Verder worden werkzaamheden uitgevoerd aan het Achterste gat, waar een vispaaiplaats zal worden aangelegd. Tot aan de Zandmolen is het infiltratieverlies van de beek beperkt. Hierbij is beleming van de bodem in principe niet nodig. Men streeft ernaar het natuurlijk karakter te behouden, waarbij nu eenmaal soms droogval plaats vindt en soms door veel regenval overstroming van delen van het bos plaats vinden.

In het gebied tussen de Zandmolen en de A28, waar de beek langs de Poolse weg loopt, liet Mirte Kruit zien waar oorspronkelijke beeklopen zullen worden hersteld en delen van de huidige beek worden gedempt. Hierdoor zal een meer natuurlijke meandering plaats gaan vinden van de beek. Ook zijn we bij enkele karakteristieke plaatsen langs de beek geweest, zoals het “Heyligenhuys” en het “Heineken traject”.

Het is een prachtig gebied dat, als de werkzaamheden gereed zijn, een bezoek waard is.

De werkzaamheden zullen vanaf week 3 worden uitgevoerd. Men begint met het kappen van bomen ten behoeve van de toegankelijkheid van materieel. Wij zullen u regelmatig op de hoogte houden van het verloop van de werkzaamheden.

2014-01 13 situatie ter plaatse van de Rode Spreng

Situatie ter plaatse van de Rode Spreng.

Op het bijgevoegde kaartje is de situatie ter plaatse van de Rode Spreng weergegeven, na uitvoering van de werkzaamheden. Tevens is een kaart van het gehele plangebied ingevoegd. Deze kaarten zijn afkomstig uit het in opdracht van het waterschap opgestelde rapport “Ecohydrologische veldonderzoek dal “Leuvenumse beek”.

Wiebe Kiel

 

Sporen van een oude beekloop

Het Korte Broek is een natuurgebied pal aan de zuidkant van Vaassen. De naam ‘broek’ duidt op een nat, vaak moerassig stuk land. ‘Kort’ heeft in dit geval de betekenis van smal. Het Korte broek was dus een smal, nat stuk land. Inderdaad, het Korte broek is slechts 100 tot 200 meter breed maar wel bijna 1,5 kilo­meter lang.

  Het Korte Broek aan de zuidkant van Vaassen: een smal, nat stuk land. De vermeste bovenlaag is afgegraven, om de oorspronkelijke natuurwaarden terug te laten keren. De foto is gemaakt met behulp van een vlieger. foto: Dirk Oomen


Het Korte Broek aan de zuidkant van Vaassen: een smal, nat stuk land. De vermeste bovenlaag is afgegraven, om de oorspronkelijke natuurwaarden terug te laten keren. De foto is gemaakt met behulp van een vlieger.
foto: Dirk Oomen

Ooit was dit een moerasgebied. Al in de ze­ventiende eeuw werd het veen afgegraven als brandstof en daarna werd het als hooi­land in gebruik genomen. Maar eigenlijk was het te nat voor agrarisch gebruik. Er komt veel kwelwater uit de grond: slecht voor de landbouw maar goed voor de na­tuur. Dus werd het Korte broek aangekocht als natuurgebied en kwam zo in handen van de stichting Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen. Helaas bleek er nog veel te veel fosfaat in de bodem te zitten; een erfenis van het jarenlange agrarische gebruik. Met zo’n hoog fosfaatgehalte kan het nooit iets worden met een natuurge­bied. Dus moest de vermeste bovengrond worden verwijderd. Met als bijkomend voordeel dat de kweldruk toeneemt en het gebied nog natter wordt.

Vorig jaar is zo’n twintig tot veertig centi­meter van de voedselrijke bovengrond ver­wijderd. Hierdoor werden allerlei patro­nen in de bodem zichtbaar zoals banken met ijzeroer, een oude weg die dwars door het veen heeft gelopen en misschien zelfs wel de resten van een watermolentje.

Meanderende beek

Meanderende beek: een bijzonderheid op de Veluwe.
foto: Dirk Oomen

Oomen Landschap, een adviesbureau dat bij de natuurontwikkeling van het Korte broek is betrokken, heeft een aantal vlieger­foto’s gemaakt om die patronen beter te kunnen interpreteren.

Eén van de bijzonderheden waren de spo­ren van een meanderende (kronkelende) beek. Dat soort beken kennen we niet op de Veluwe. Hoe is het ontstaan? En wan­neer? Zou je het weer kunnen laten stro­men? Om dit soort vragen te kunnen beant­woorden moeten we diep in de geschiede­nis duiken. We moeten terug naar het ein­de van de laatste ijstijd, 11.000 BP (Before Present, dus ‘voor nu’). De plek waar nu het Korte broek ligt werd voortdurend over­stroomd door het smeltwater dat van de stuwwal kwam.

Het water voerde allerlei erosiematerialen van de Veluwe mee, zoals grint, zand en leem. Dit werd aan de voet van de stuw­wal als grote, brede smeltwatervlaktes afge­zet. Deze vlaktes werden doorsneden door beekdalen, waarin het smeltwater zich ver­zamelde in tijden dat er minder water van boven kwam. Het Korte broek is zo’n smelt­waterdal.

In het dal kwamen (en komen nog steeds) kwelbanen naar boven die ijzerrijk water bevatten. Eenmaal aan de oppervlakte oxi­deert het ijzer en vormt op de lange duur banken van ijzeroer, een keiharde verbin­ding waarop water kan blijven staan. In het Atlanticum, 8000-5000 jaar BP , ontston­den er dikke veenpakketten in de beekda­len. Dit was een zeer natte periode met een groot wateroverschot. Daardoor groei­de alles dicht met bos (bosveen) en veen­mossen (hoogveen). Het veen gebied waterde af via kleine, soms meanderende veenstroompjes, die uiteindelijk hun weg zochten naar de IJssel­vallei. Zo ook het Korte broek. Het is tot aan de ontginning, pakweg zo’n 300 jaar ge­leden, een veengebied geweest met -waar­schijnlijk- de gevonden meander als afwa­tering.

Op de oudste gedetailleerde kaart die be­schikbaar is, die van de Man 1802-1812, is de meander van het korte broek al niet meer te zien. Wel zichtbaar is de nog steeds aan­wezige ontwateringssloot, waaruit blijkt dat de ontginning al meer dan 200 jaar gele­den moet hebben plaatsgevonden. Mis­schien dat in die tijd ook de Egelbeek is aangelegd.

Die loopt om het veen heen langs de uiter­ste noordgrens van het beekdal en ligt dui­delijk hoger. Misschien is die gegraven om het meest westelijke deel van het Korte broek te ontwateren. Dat deel is de oudste ontginning geweest. Om het water vlot weg te laten stromen moet het niet eerst nog eens zijn weg zoeken door een be­staand veengebied. Een omleiding in dit smalle beekdal ligt dus voor de hand. De meander weer in ere te herstellen is niet mogelijk.

De voorwaarden daarvoor bestaan immers niet meer. Het veen is verdwenen, de bo­venste veertig centimeter ontbreekt en er is veel minder water beschikbaar dan toen.

De meander zou al in een paar jaar tijd dichtslibben door gebrek aan stroming.

Helaas!

Gert Jan Blankena

Met dank  aan Dirk Oomen voor de vliegerfoto’s.

Sprengenbeken zijn fraaie cultuurhistorische monumenten

Aan de randen van de Veluwe stromen talloze sprengen en beken af naar de lagere, omliggende gebieden. De Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken beijvert zich al meer dan dertig jaar voor die karakteristieke watertjes. Aanleiding voor de oprichting van de stichting in 1979 was de zware verwaarlozing van deze beken en sprengen, nadat zij hun economisch nut hadden verloren.

In de 16e en 17e eeuw dreef het water van beken op de Veluwe talloze molens aan. Waren de meeste watermolens oorspronkelijk korenmolen, later kwamen er ook oliemolens, kopermolens en papiermolens. Om over voldoende waterkracht te kunnen beschikken gingen molenaars op zoek naar nieuwe bronnen. Waar men vermoedde dat het grondwater dicht onder het maaiveld stroomde, werd die grondwaterbel aangeboord (de spreng of sprengkop) en het uitstromende water via een gegraven sprengenbeek naar de bestaande of nieuwe molen geleid.
Toen voor het malen van graan, het persen van lijnolie, het slaan van koper of voor de papierindustrie nieuwe krachtbronnen beschikbaar kwamen -eerst de stoommachine, daarna elektriciteit- werden veel watermolens omgebouwd tot wasserij. Het heldere water was daar zeer geschikt voor.

Door de nieuwe krachtbronnen verloren de toevoerende beken steeds meer hun functie. Het regelmatige onderhoud aan spreng en beek, nodig om de stroom er goed in te houden, kwam stil te liggen. Wasserijen en papierindustrie benutten het schone beekwater ook na hun overstap op andere energiebronnen nog wel als proceswater, maar met een nadelige invloed op de beken. Het water raakte vervuild en beken kwamen mede hierdoor droog te staan.

Een aantal mensen ging die verloedering aan het hart, wat hen tot het initiatief bracht de Stichting op te richten. Daarmee werd een kentering ten goede ingezet. Dankzij intensief lobbywerk van de Bekenstichting kregen steeds meer mensen en instanties oog voor de waarde van de beken en hun molens als cultureel erfgoed.
Ook de Provincie en de Waterschappen erkenden die waarde. Dat resulteerde erin dat het herstel en onderhoud van een groot deel van de beken in 1984 bij de Waterschappen kwam te liggen. Inmiddels nadert het herstelprogramma van de Waterschappen langzamerhand haar voltooiing.

Dat maakt de Stichting niet overbodig; zij blijft het wakend oog. De Bekenstichting telt nu ongeveer 460 donateurs, en heeft een algemeen en een dagelijks bestuur. In elk deelgebied opereert een contactpersoon die ter plaatse de beken in de gaten houdt, zich op de hoogte houdt van (bestemmings)plannen en zo nodig hierop reageert. De contactpersonen rapporteren de toestand langs ‘hun’ beken en onderhouden de contacten met Waterschappen en de gemeenten . Het bestuur heeft periodiek overleg met Provincie, Waterschappen, ‘groene organisaties’ en met historische verenigingen. Dankzij dit uitgebreide netwerk en de aanwezige deskundigheid slaagt de Stichting er in de aandacht voor de beken niet te laten verslappen en deze voortdurend op de agenda te houden.

Herstel en onderhoud alleen zijn niet voldoende. Tegenwoordig wordt de beek in een breder perspectief geplaatst. Niet alleen de beek is waardevol, ook haar omgeving; zij vormen een ensemble, dat diverse functies vervult. Een beek zonder molen is uit cultuurhistorisch perspectief incompleet en onaantrekkelijk. Zij kan dan echter wel een hoge ecologische waarde hebben door een hoge diversiteit aan flora en fauna, inclusief Rode-Lijstsoorten. Een begeleidend wandel- of fietspad maakt een beek recreatief aantrekkelijk. En als er dan ook nog een leuk restaurant bij staat met een infocentrum, dan is zij ook nog van economische en educatieve waarde.

Voor het behoud van de beken is de ontwikkeling van zulke ensembles van wezenlijk belang. De Bekenstichting wil een rol spelen bij het ontwikkelen van dergelijke gebieden. Zij blijft zich focussen op verschillende zaken met één doel: de beken in ere houden en ervoor zorgen dat iedereen er optimaal van kan genieten.

Bekenstichting
Maria Bruggink i.s.m. Tjada Amsterdam

Mei 2012

De toestand van sprengenbeken

Waarin de auteur enkele persoonlijke gedachten en observaties aan de lezer doorgeeft.

De Bekenstichting:
De Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken bestaat dóór haar vrijwilligers.
We hebben ruim 450 donateurs; een redelijk aantal van hen is ook daadwerkelijk betrokken bij de activiteiten van de Bekenstichting. Waterschap Veluwe omschrijft hen als: “betrokkenen die belangeloos hun hart verpand hebben aan deze bijzondere elementen en hun landschappelijke samenhang”.
Onze Stichting kent vanzelfsprekend een Algemeen Bestuur (AB) en een Dagelijks Bestuur (DB).
Bijzonder is dat we Contactpersonen kennen. Zij houden ieder een cluster van sprengenbeken in de gaten. In de Wijerd 31-1 beschrijft een van de contactpersonen op bladzijde 23 en volgende hoe hij zijn taken invult. Hij ziet zich als een soort “waakhond” van de sprengenbeek en de omgeving waarin deze ligt.
Ik kan me goed voorstellen dat een contact-persoon zó betrokken is dat hij/zij denkt: “Het is MIJN beek en dat 7 x 24” (= 7 dagen/week gedurende 24 uur/dag).

Eendrachtspreng – A.H. Bongers, april 2010

Onderhoud door de waterschappen:
De Bekenstichting streeft naar het behouden en verbéteren van Veluwse sprengenbeken. Daar zetten we ons voor in. Wij zijn echter niet een professionele organisatie met hiërarchische verbanden zoals het Waterschap; maar een vrijwilligersorganisatie.
De Bekenstichting is in 1979 opgericht. In de eerste jaren werkten onze eigen mensen aan beekrestauratie en het onderhoud.
Enkele jaren na het ontstaan van onze Stichting werd het onderhoud van de sprengenbeken door de Provincie opgedragen aan de waterschappen. Op onze jubileumbijeenkomst heb ik daarover gezegd:
De waterschappen werken nu al vele jaren gestaag aan herstel van de vele kilometers sprengen en beken. Op hun aanpak levert de Bekenstichting ongevraagd haar zienswijzen; het liefst doen we dat al vóór de planfase. Soms geeft dit aanleiding tot discussie en overleg met de waterschappen. Maar we komen eruit!
De waterschappen doen hun werk goed.

Vasthouden:
De waterschappen beheren het oppervlaktewater. Vroeger werd oppervlaktewater zo snel mogelijk afgevoerd. Dan bleef het land droog. De overheid meent nu dat water ook wel moet worden vastgehouden. Door de eeuwen heen werd het water in de sprengenbeken en wijerds op gezette tijden al vastgehouden à de waterrechten.
Als we afgaan op uitspraken van rechtbanken zal dit vasthouden toen tot vele indringende gesprekken geleid moeten hebben. Bijvoorbeeld tussen de molenaar van de Cannenburgher Molen en de molenaar op de benedenstroomse Amsterdamse Kopermolen in Vaassen.
Ik stel me voor dat dit ging in de trant van: “Ik ga water vasthouden; heeft u daar last van? + Wat kan ik eraan doen om dat te voorkomen?“
Molenaars willen namelijk op hun tijd voldoende water hebben. Voor dit doel zijn de sprengenbeken in de afgelopen eeuwen toch aangelegd.

Sprengenbeken zijn cultuurhistorisch erfgoed:
De sprengenbeken op de Veluwe zijn vanaf de 14e eeuw gegraven en aangelegd. Die inspanning was een investering om graan te n malen, om olie te slaan, om koper te pletten, om papier te maken, om te wassen. Het gaat dan om de sprengenbeken vanaf hun oorsprong in de sprengkoppen tot waar ze uitmonden. Zij vormen ons cultuurhistorisch erfgoed.
Ook oude gebouwen vertellen over onze cultuurhistorie en die zijn daarom waardevol om te behouden. Je moet ze niet afbreken.
Dus: zoals je het middeleeuwse Gemeenlandshuis van het Hoogheemraadschap van Delfland niet afbreekt omdat je stenen nodig hebt; zo demp je ook geen sprengenbeken omdat je water nodig hebt voor vernatting. Vernietiging van rijke cultuurhistorische objecten is verderfelijk!

Toch kun je overwegen minder waardevolle beken (enigermate) te laten verlanden zodat er water in het brongebied wordt vastgehouden. Op die manier kan vernatting worden bewerkstelligd. [er zijn betere methoden om dat te bereiken; daarover wordt in de komende Wijerd geschreven] Maar dan moeten er, als compensatie, ook nieuwe sprengenbeken worden aangelegd. Dit is analoog aan de verplichte compensatie die wordt opgelegd indien er een bos of een aanzienlijk aantal bomen wordt gerooid.

Samenhang/Ensembles:
Er is een samenhang van de sprengenbeken met de omgeving waarin ze voorkomen. Want het gaat niet alleen om de sprengenbeek op zich met de strook van anderhalve meter aan beide zijden. Die zijn in het bezit van de beekeigenaren. Als Bekenstichting hadden wij daarom beekeigenaren in ons bestuur. Het gaat ook om de 25 meter aan beide zijden van de sprengenbeek waarin niet gebouwd mag worden; zoals in de Gemeente Apeldoorn.
Maar ook een forellenkwekerij, die mag lozen op het zuivere beekwater in de bovenloop, opereert in samenhang met de sprengenbeek.
En er is ook een verband met bijvoorbeeld De Veluwse Bron, een wellness-centrum in de benedenloop van de Smallertse beek.
Zo’n samenhang wordt onder deskundigen ook wel aangeduid als een ensemble.

Samenwerking:
Bij de inrichting van zulke ensembles zijn veel partijen betrokken. We moeten dan denken aan De Provincie, Gemeenten, Waterschappen, (molen-)eigenaren, omwonenden, oudheidkundige verenigingen, etc. Die moeten al in een vroeg stadium bij een veranderingsproces worden betrokken. Onze Bekenstichting kan in dit proces vanaf het begin een stimulerende en samenbindende rol vervullen. Wij kunnen veel betekenen voor het behoud en de verbetering van sprengenbeken. Vooral als we er vroeg bij zijn.
Wij zijn namelijk geen voetbalvereniging met enkele oefenvelden aan een beek. Want die wordt pas geïnformeerd in het stadium waarin de uitvoering plaatsvindt. Overigens is dit een goede zaak om omwonenden over de uitvoering te informeren en erbij te betrekken.

Functies:
Sprengenbeken zijn ervoor om voldoende water aan nog functionerende molens te leveren. Maar sprengenbeken hebben ook andere functies zoals:
– De Recreatief/toeristische functie
en dus (nog steeds)
– Een Economische functie,
– De Ecologische functie,
– Een Landschappelijke functie,
– De Cultuurhistorische functie,
– Een Verhalende functie,
– etc.

Gevolgtrekking:
Het verbeteren van sprengenbeken vraagt dus om een multidisciplinaire aanpak.
Maar nog specifieker: Mijns inziens VERDIENEN sprengenbeken (ensembles) een multidisciplinaire aanpak!

Ons waterschap:
Waterschappen hebben een belangrijke rol bij de realisatie van het behouden, herstellen en het verbeteren van sprengen en beken. Het zijn ónze waterschappen omdat het de oudste democratische overheidsorganen zijn; organen die door ons worden gekozen + waaraan wij waterschapslasten betalen.
Soms zijn we het op een plezierige manier oneens met de plannen van ónze Waterschappen. Wij stellen onze multidisciplinaire aanpak beschikbaar voor het verbeteren van de waardevolle mooie ensembles van sprengenbeken.

Jan van de Velde VdS