De historische ontwikkeling en betekenis van het Vaassense bekenstelsel

Inleiding

Vandaag aan de dag “maken we natuur” en “ herinrichten” we ons stedelijk en landelijk gebied voortdurend. Ook onze verre voorvaderen konden er al wat van. Zo is in Vaassen een complex bekensysteem gegraven ten behoeve van de bouw van watermolens. Dit door mensenhand ontstane systeem is vandaag de dag van groot ecologisch en cultuurhistorisch belang, maar diende oorspronkelijk een zuiver economisch doel. Het stelsel van sprengenbeken is nog vrijwel compleet aanwezig en in het omringende landschap is nog goed te zien, hoe de situatie was ten tijde van de aanleg van de sprengen. Zie hier de kaart van dit bekenstelsel.

Het stelsel is nog steeds van praktische betekenis. Het wordt gebruikt voor de watervoorziening van een wasserij en voedt de visvijvers en waterpartijen rondom kasteel de Cannenburgh. In dit artikel zal ik ingaan op het gegraaf en geploeter van onze voorvaderen en de ontwikkelingen in het gebied na de aanleg van de beken en de bouw van de molens. Ik volg hierbij de bekende indeling in onze geschiedenis van nieuwe, nieuwste tijd en onze eigen tijd

Ik hoop, dat dit artikel zal bijdragen aan het vergroten van het besef, dat we hier te maken hebben met een uniek stukje cultuurgeschiedenis, die we moeten waarderen en beschermen.

Nieuwe tijd (1500-1800)

In het begin was er natuurlijke beek. Uit historische bronnen is bekend dat al in 1402 bij de Cannenburgh een korenmolen werd aangedreven met beekwater van een toen nog natuurlijke beek. Vandaag aan de dag is dit nog terug te vinden in een deel van de Rode Beek, welke door het dal van de oorspronkelijke beek loopt. Ook delen van de Geelmolenbeek wekken de indruk op een natuurlijke waterloop terug te gaan. Beide beken zijn later uitgediept en vergraven en staan nu vrij ver van de natuurlijke situatie af.
In de 16e en 17e eeuw is er flink gegraven. De Hattemsche Molenbeek en de Geelmolense Beek (die in Vaassen Dorpenmolenbeek wordt genoemd) liggen aan de noord- en zuidflank van het beekdal. De oudste molens aan de Hattemsche Molenbeek worden al in het midden van de 16e eeuw genoemd. Dat geldt ook voor de onderste molen aan de Dorper Molenbeek (de Dorper Molen) De overige gebouwde molens aan de Dorper Molenbeek zijn in de loop van de 17e eeuw gebouwd en het lijkt waarschijnlijk dat grote delen van de Dorper Molenbeek in het eerste kwart van de 17e eeuw zijn gegraven. De noordelijke tak van de Geelmolense Beek wordt ook wel de Rode Beek genoemd en vormde oorspronkelijk waarschijnlijk de bovenloop van de natuurlijke Rode Beek. Door het water naar de Geelmolense Beek te leiden, konden extra molens worden gebouwd en aangedreven.

Brongebied de Motketel (Henri Slijkhuis)

Brongebied de Motketel (Henri Slijkhuis)

Als laatste werd de Nieuwe Beek graven. De aanleg hiervan heeft plaatsgevonden tussen 1694 en 1698 en daardoor ontstond de mogelijkheid om twee extra molens te kunnen bouwen. Op een kaart van 1726 wordt het complete stelsel al weergegeven en liggen er 17 watermolens aan de beken.
Het systeem is complex doordat er ook dwarsverbindingen tussen de beken en de overlaten werden gegraven. Deze overlaten werden gebruikt voor de afvoer van overtollig water en periodiek om water af te voeren wanneer men onderhoud aan een beek wilde plegen of de watermolen tijdelijk buiten gebruik wilde stellen. Ook werden en worden ten westen van de Cannenburgh verschillende beken van elkaar gescheiden om ijzerarm en ijzerrijk water gescheiden te houden(2). In een vorig artikel ben ik ingegaan op het doel van deze splitsing (3).
Dit ingewikkelde watersysteem was van grote betekenis voor de lokale economie vanwege de vele watermolens die door het water konden worden aangedreven. De eigenaren van de Cannenburgh beseften heel goed, dat de molens flink wat geld in het laatje konden brengen.

Oude Cannenburgher Watermolen.

Oude Cannenburgher Watermolen.

De familie van Isendoorn

De familie Van Isendoorn à Blois was van 1563 tot 1865 eigenaar van de Cannenburgh*. Deze familie heeft het water en de grond steeds in eigendom gehouden. Wel was de betrokkenheid bij de molens aan schommelingen onderhevig. De meeste molens in Vaassen zijn namelijk gesticht door particulieren, die de gronden en water van de eigenaren pachtten. De laatstgenoemden stichtten ook zelf verschillende molens, maar verkochten deze later aan de pachters met uitzondering dan van de graanmolen bij het kasteel. Vanaf 1715 begon echter een omgekeerde beweging en probeerden de Van Isendoorns de molens weer in bezit te krijgen. Van molen na molen werd de pacht van water en grond opgezegd, waarna de molenaar de pacht slechts kon terugkrijgen door zijn molen aan de Cannenburgh te verkopen. De molenaars waren volkomen afhankelijk van de Van Isendoorns. In enkele gevallen bood de molenaar echter flinke weerstand. Als voorbeeld kan hiervoor de Noordelijke Geelmolen dienen. In 1735 zegde Van Isendoorn de pacht van de grond en het water op, maar gaf de molenaar pas in 1752 toe. Rond1755 hadden de heren van de Cannenburgh het overgrote deel van de molens in bezit. Hun rol ging ook veel verder dan het innen van de pacht. Ze bepaalden in feite de productiecapaciteit, regelden de watertoevoer op de molens en het aantal hamerbakken, bemiddelden tussen ruziënde papiermakers, lieten nieuwe beken aanleggen en zorgden voor onderhoud aan beken en bedrijfsgebouwen. In 1865 stierf de laatste Van Isendoorn en in 1865 wees een rechtbank de erfgenamen aan. Een paar jaar later werden de molens verkocht.
Waarom haalden de Van Isendoorns het maximale uit hun landgoed? Hun handelswijze wordt wel verklaard uit hun katholieke geloof, dat ervoor zorgde dat ze niet in aanmerking kwamen voor lucratieve overheidsfuncties en ze werden in ieder geval tot het eind van de achttiende eeuw geweerd uit het ridderschap van de Veluwe.

Dde Cannenburgh anno 2014 (Henri Slijkhuis)

Dde Cannenburgh anno 2014 (Henri Slijkhuis)

Nieuwste tijd (1800-1945)

De Cannenburgh staat centraal in het Vaassense bekenstelsel. Drie van de vier hoofdbeken lopen langs de Cannenburgh en zijn van betekenis voor het park. Ze voeden het uitgebreide vijvercomplex en tevens de grachten rondom het kasteel. Dit park is in de loop van de tijd regelmatig aangepast aan de dan heersende “mode”. Zo is tussen 1812 en 1832 het centrale deel van het park in landschappelijke stijl omgevormd. De drie waterkommen in het bosgebied ten westen van het kasteel werden hierbij vergraven tot slingervijvers, die het centrale element gingen vormen in het park.
De betekenis van de papierindustrie bleef groot in de 19e eeuw. Zo kende Vaassen omstreeks 1854 18 papiermolens met 270 arbeiders (4). In een andere bron wordt gesproken over zestien molens voor de papierindustrie in 1830 op een totaal aantal van twintig watermolens (5). Wat het ook precies geweest is, het was van grote betekenis voor de Vaassense economie. De watermolens leverden ook veel afgeleid werk op. De sprengen moesten onderhouden worden. Dat betekende werk voor de minstbedeelden uit het dorp. Maar ook vervoerders, timmerlieden en smeden kregen opdrachten van de pachters en de eigenaren van de molens.
In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw kregen de Vaassense papierfabrieken het moeilijker ten gevolge van de toepassing van stoommachines elders, wat leidde tot een enorme toename van de papierproductie. Dit betekende verlies aan concurrentiekracht voor de Vaassense papiermolens. Dit had grote gevolgen. Sommige bedrijven werden gesloopt, anderen omgebouwd tot wasserijen. Deze wasserijen stonden aan de basis van een omvangrijke bedrijfstak, die vanaf het begin van de twintigste eeuw mechaniseerde en nog altijd bestaat. In Vaassen zijn op dit moment nog steeds twee wasserijen actief, de Gelderse Stoomwasserij van Delden en CleanleaseFortex BV. (red.: zie ook interview in Wijerd 2013-4 met voormalige eigenaar hr. Poppe). Hoewel in de naam van de eerste bedrijf de term stoomwasserij voorkomt zijn natuurlijk de stoommachines al lang niet meer in gebruik.

In de papierindustrie wist zich alleen het bedrijf Van Delden te handhaven door op te schalen en om te schakelen op bordkarton. Dit bedrijf is pas in 1980 stilgelegd.
De locaties van de molens stonden in enkele gevallen aan de basis voor grote industrieën, die eind negentiende/ begin twintigste eeuw ontstonden. De Aluminium Industrie Vaassen NV (nu Vaassen Flexible Packaging) staat op de plaats van de Dorper molens. De Wattenfabriek Utermohlen (nu Groupe Lemoine) staat op de plaats van de Nieuwe Molen.

Nieuwe Molen later Utermohlen Wattenfabriek vlak na de oorlog

Nieuwe Molen later Utermohlen Wattenfabriek vlak na de oorlog

Aan het einde van de negentiende eeuw en de het eerste deel van de twintigste eeuw werd de economische betekenis van de beken steeds kleiner. Waterkracht werd vervangen door stoommachines en later door diesel- en elektromotoren.

Onze eigen tijd (1945-heden)

De economische betekenis van de beken werd tenslotte zo klein, dat het niet meer lucratief was om de beken te onderhouden. De beken waren nog wel handig om van vervuild afvalwater af te komen. Die functie hebben ook de beken in Vaassen nog jaren vervuld. De erfenis in de vorm van vervuilde oevers en waterbodems heeft het waterschap voor een groot deel opgeruimd. Vanaf 1950 trad verval op en niet alleen in Vaassen. In Apeldoorn werden tussen 1950 en 1980 grote delen van de beken gedempt en overkluisd. Gelukkig is dat in Vaassen niet gebeurd, zodat we nu iedere dag kunnen genieten van helder stromend water door en langs het dorp.
In Vaassen werkte tot in jaren zeventig nog een beekruimer bij de Nijmolense Beek (6). De beekruimer had als taak om de beek schoon te houden, zodat de gebruiker van het beekwater verzekerd bleef van schoon water. Helaas was dat in die tijd een uitzondering geworden.

Nijmolense-beek met koeien 1903. (Vaassen.nu)

Nijmolense-beek met koeien 1903. (Vaassen.nu)

In 1972 bracht de club van Rome een rapport uit over de grenzen aan de groei. Dit leidde langzaam maar zeker tot een omslag in het denken over economische groei en tevens tot een herwaardering van natuur en landschap.
Rond 1980 kun je spreken van de herontdekking van de beken. Vrijwilligers pakten het onderhoud weer op en gingen zich inzetten voor het behoud van het sprengenlandschap. In Epe en Vaassen richtten een paar inwoners in 1979 de Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken op.
Het ging nu niet meer om de economische betekenis, maar om de ecologische en cultuurhistorische betekenis van de beken. In 1984 werden de beken onder beheer gebracht bij het waterschap Oost-Veluwe en was in ieder geval weer een instantie verantwoordelijk geworden voor het beheer.
In de afgelopen jaren is in Vaassen flink geïnvesteerd door het waterschap Veluwe en de Stichting Geldersch Landschap & Kasteelen om de beken en het kasteelpark weer op te knappen. Naast ecologische en cultuurhistorische functie van het kasteel en zijn beken spelen de renovaties ook in op een nieuwe economische functie nl. recreatie en toerisme. Hiermee is de cirkel van het Vaassense bekenstelsel weer rond.

Henri Slijkhuis

Water voor Oliemolen op de Eerbeekse Beek

De watermolen op de Erbeke dateert al uit 1395 en behoorde lange tijd tot de bezittingen van het Huis te Eerbeek. In 1942 legateerde de weduwe van professor M. W. C. Weber dit landgoed aan de Stichting het Geldersch Landschap, het huidige GLK. Aan het einde van de vorige eeuw werd de interessante molen gerestaureerd. Indien er voldoende water beschikbaar is kan ze ook daadwerkelijk olie persen. Wij werken samen met een aantal betrokkenen om dat te gaan realiseren.

GLK, De Stichting Geldersch Landschap & Kasteelen, is de  eigenaar van de wijerd van deze bijzondere molen; die bij het Huis te Eerbeek bekend is als de `vijver`. Op een detail van een kaart uit 1640-1650, Thuis te Eerdtbeeck naar R.A.G., alg. Krt.Verz. NR. 222,  is te zien hoe deze wijerd zorgt voor wateropslag om de toen zogenaamde Saetmeul te kunnen laten werken.

2014-02 Oliemolen Eerbeek 1

Deze vijver/wijerd is  –zoals dat tot voor kort bij de gracht van het Huis te Eerbeek het geval was- dringend aan onderhoud toe.

Wij zetten ons in om ook nu de bijzondere Oliemolen te Eerbeek van voldoende water te voorzien om in het toeristenseizoen regelmatig op zaterdagen op waterkracht te laten werken.

De Rotary Eerbeek-Zutphen heeft daartoe destijds het initiatief genomen en contacten gelegd met onze Provincie, GLK, Waterschap Vallei&Veluwe, VITENS, Coldenhove Papier, de Gemeente Brummen  en de Bekenstichting.

Reeds vanaf 2008 werken die partijen met dat doel samen.

2014-02 Oliemolen Eerbeek 2

Om al in 2014 op waterkracht te kunnen werken zou de wijerd/vijver van het Huis te Eerbeek weer als opslag moeten kunnen gaan functioneren. Door enkele aanpassingen in de verbindingen met de toeleidende beek moet het mogelijk zijn meer water naar de wijerd te leiden. Het gaat vooralsnog om de zomerperiode; want dan wil je de oliemolen laten “werken”. Indien er vóór een weekeinde voldoende water in de wijerd wordt verzameld kan de Kollergang in de Oliemolen als persinstallatie in bedrijf worden genomen. De beschoeiing van de vijver/wijerd moet daarvoor wel met een vijftiental centimeter worden verhoogd.

Inmiddels is duidelijk geworden dat GLK geen fondsen beschikbaar heeft om de vijver te baggeren, opnieuw te beschoeien en waterdicht te maken. Maar er is wel een andere tijdelijke oplossing gevonden!

Oliepersen in 2014

Oliepersen in 2014

In januari 2014 heeft GLK water in de wijerd gepompt om te zien of die vijver dat water vast kan houden (niet al te zeer lek is). Dat bleek mogelijk en wel zodanig dat het waterniveau gedurende een beperkte periode meer dan 10 centimeter hoger kan staan dan dat gewoonlijk het geval is. Zo wordt een extra watervoorraad gecreëerd. Die kan worden gebruikt om de Kollergang van de Oliemolen in Eerbeek in beweging te krijgen en olie uit lijnzaad te persen.

Het is weliswaar niet de meest charmante oplossing maar zo kunnen bezoekers ook in de zomerperiode van 2014 genieten van een werkende Oliemolen.

Jan van de Velde

 

Werkgroep cultuurhistorie binnen de Bekenstichting van start!

Woensdag 15 januari heeft de eerste bijeenkomst plaatsgevonden van de opgerichte werkgroep cultuurhistorie.

In deze werkgroep zitten de volgende mensen: Jan van de Velde, Jan Koornberg, Jan-Olaf Tjabringa en Henri Slijkhuis. De werkgroep gaat zich met de volgende drie aspecten bezig houden.

    1. Leveren van bijdragen aan publicaties en excursies over cultuurhistorische onderwerpen, gerelateerd aan de beken, watermolens en het direct aanliggende landschap, die leiden tot vergroting publieke waardering.
    2. Signaleren van kansen en bedreigingen en het formuleren van voorstellen daarvoor. Deze voorstellen worden tijdig bij het bestuur ingebracht ten behoeve van overleg met instanties (kansen) of inspraak/zienswijze tav ruimtelijke bedreigingen. Voor deze taak is de werkgroep ook afhankelijk van informatie via DB en contactpersonen.
    3. Het initiëren van projecten en/of organisaties/particulieren wijzen op kansen.

De stichting zal vrijwel nooit in staat zijn een project zelf te financieren maar kan wel initiator en partner zijn om kansen uit te werken en hieraan een bijdrage in natura of een (bescheiden) financiële bijdrage leveren.

De volgende taakverdeling is afgesproken. Henri Slijkhuis gaat zich richten op het leveren van bijdragen aan publicaties en excursies, terwijl Jan Koornberg de signaleringstaak op zich neemt. Jan van de Velde gaat zich vooral bezig houden met het initiëren van projecten. Jan-Olaf Tjabringa treedt op als adviseur en is gastheer voor de werkgroep.

Voor aanvullende informatie kunt u contact opnemen met Henri Slijkhuis (hgslijkhuis@hotmail.com).

Griftsemolens

Griftsemolens, Copyright Freek Bomhof

Griftsemolens, Copyright Freek Bomhof

De Griftsemolens  in Vaassen stond vroeger niet zo heel goed bekend bij de omwonenden. Ten behoeve van de kopermolen werd het water in de Grift boven de molens nogal hoog opgestuwd. Bij het pletten van het koper was er veel vermogen nodig voor de plethamers, die door het waterrad werden aangedreven. En om deze energie te kunnen leveren werd het water, vooraf door middel van een stuw, tegengehouden en opgespaard. Nadat er voldoende water in een buffer opgespaard was opende men de stuw en het hoge water kon daardoor het waterrad met veel meer kracht aandrijven, zodat het pletten van het koper een beter resultaat opleverde. Na 1706 zorgde de eigenaar van de Griftsemolens, de Amsterdammer Rudolph Knuijse, voor veel wateroverlast. Dat opstuwen van het water in de Grift gaf problemen in het buurtschap “de Hafkamp” en “de Bottert.” De lager gelegen boerderijen en landbouwgronden stonden dan deels onderwater, hetgeen voor de aanwezige boeren daar een steeds grotere schadepost betekende voor hun vee en hun grasland in de omliggende weilanden. Ook de scheepvaart, die vroeger gebruik maakte van de Grift, had veel hinder van het opstuwende water. Dit alles resulteerde in de nodige processen die omwonenden voerden tegen de eigenaar van de kopermolen. Uiteindelijk kwam men het één en ander overeen over de hoogte van het stuwen van het water. Door middel van koperen pennen, die waren aangebracht in een gemetselde muur in de wal van de Grift, werd aangegeven hoe hoog het waterpeil uiteindelijk was toegestaan. De molenaar was verplicht zich hieraan te houden, zodat er geen wateroverlast meer voorkwam. Op een tekening, gemaakt op 21 juli 1727 door landmeter Hend. Hesselink, is de hele waterloop van de Grift vastgelegd, zoals de verschillende partijen waren overeengekomen. Op deze tekening, of wel overeenkomst, staat vermeld:

“Pertinente aftekening van de Grift tot Vaasen van Peters Vonder tot aen de Heer Knuisers Coper Mole neffens het verval of opstuwinge van het selve water van gem: Peters Vonder tot aen de schutbalk en van daar tot aen de Mole”.

 Verder staat het bedoelde tracé van de Grift getekend. Daarbij staat vermeld:

–          Peters Vonder in de markte Vasen circa 40 passen van de Wenemer markte. Geen verval of opstuwinge.

–          Tegenover de Katerstede Den Poel bij den Hietkamp. ½ duim verval of opstuwinge.

–          Hafkamper Brugge. 2 duim verval of opstuwinge.

–          Afwatering van Sligters Molen, daarna de Verlaatse beek en hierin is een schutbalk. Hier in de Grift is 4 duim verval boven de opgeslagen latte van 3 duim. Dit is net voor de brug over de Grift. Over deze brug liep de weg van Vaassen naar Deventer. Sligter wordt bedoeld Dirck Slichgers uit Amsterdam die pachter was van de Nieuwe of de Amsterdamse Kopermolen op “de Oosterhof”, wat nu wasserij van Delden is.

Waterloop Grift (copyright Freek Bomhof)

–          Voor de Copermolens van de Heer Knuisen ligt een brug en daarachter de schutting met 7 duim verval.

Zo werd het in 1727 vastgelegd met een getekende overeenkomst. Of daarmee het probleem van wateroverlast voorgoed was opgelost verteld de geschiedenis niet. Wel waren toen ook de dijken van de Grift in zeer slechte staat van onderhoud. De kans van een dijkdoorbraak bij hoog water was groot. Na het overlijden van Rudolph Knuijse werd Frederik van Isendoorn à Blois in 1753 de nieuwe eigenaar van de molens. De kopermolen heeft daarna niet lang meer bestaan. Na 1938 zijn de gehele Griftsemolens afgebroken. Heden ten dage herinnert ons alleen de Griftsemolenweg nog aan deze unieke watermolen. Het riviertje de Grift werd, na de aanleg van het Apeldoorns kanaal in 1829, slechts een afwateringskanaal.

Copyright tekst en foto’s: Freek Bomhof.

Steenfabriek ‘De Veluwe’.

In 1898 kocht Joost Vlasveld die eigenaar was van de Nieuwe Molen, de latere Wattenfabriek, ongeveer 16 hectare grond. Deze grond bestond voornamelijk uit heide en weiland en was gelegen tussen het water de Grift en de spoorlijn op het Eekterveld in Vaassen. Dit uitgebreide terrein sloot mooi aan bij de reeds in zijn bezit zijnde gronden westelijk van de lokaalspoorweg Apeldoorn – Zwolle. In 1906 verkocht Vlasveld deze 16 hectare aan de NV Kunstzandsteenfabriek “De Veluwe”. Deze firma bouwde op het nieuw verworven terrein een fabriek met magazijnen, kantoren en een schaftlokaal. Twee verhardingsketels, twee kollergangen, twee steenpersen, een kalk blustrommel en een 50 pk zuiggasmotor als krachtbron zorgden voor de productie van de kalkzandsteen. Er werd een aparte spoorwegaansluiting aangelegd langs de Zwarteweg naar de nieuwe fabriek. Voor het vervoer over het Apeldoorns Kanaal kwam er een smalspoor te lopen vanaf de fabriek over de Grift naar het kanaal. Met behulp van lorries kon dan de kalkzandsteen rechtstreeks naar een vrachtschip gebracht worden en met kiepkarren werd de kalk vanuit het schip aangevoerd en naar de fabriek gereden. De rails van deze smalle fabrieksspoorlijn zijn nog niet zo lang geleden verwijderd. Het benodigde zand werd op eigen terrein uitgegraven en daardoor zijn er diverse vijvers ontstaan noordwestelijk van de fabriek. Een jaar na de start van “De Veluwe” kon men de vraag naar kalkzandsteen niet meer aan en de zaak werd uitgebreid met twee steenpersen en vier verhardingsketels.

Na een faillissement werden Eduard Landaal van machinefabriek Landaal uit Apeldoorn en aannemer Jan Harmen de Groot uit Apeldoorn de nieuwe eigenaren. In 1912 werd een grotere stoomketel geplaatst en er kwam een grotere steenpers, die zelfs 2400 stenen per uur kon fabriceren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) liep de vraag naar kalkzandsteen drastisch terug en in 1917 moest men noodgedwongen stoppen. De NV Maatschappij tot exploitatie van halfstof en carton “De Veluwe” startte als nieuwe eigenaar in september 1917 met de fabricage van papier in een stenen gebouw van de voormalige steenfabriek. Ook hier gingen aanvankelijk de zaken goed. De papierfabriek heeft enkele malen het bedrijf verder uitgebreid.

In 1924 werd de fabriek overgenomen door de NV Carton fabriek en aardappeldrogerij “Erica” uit Oude Pekela en de NV Papierfabriek Emst. Wie die laatste was is onduidelijk, mede doordat de fabriek in Vaassen stond.  Eind 1926 kreeg het bedrijf problemen met het milieu! De Nederlandse Heidemaatschappij was ondertussen in de naast gelegen vijvers gestart met een viskwekerij en deze had schoon en zuurstofrijk water nodig voor het kweken van forel. Deze vijvers waren destijds uitgegraven door de Kunstzandsteenfabriek “De Veluwe”. De uitgegraven klei en leem werd gebruikt als grondstof voor het fabriceren van steen. De vervuiling van het afvalwater van de papierfabriek was zo groot, dat de gemeenteopzichter Dooitze Bontekoe opdracht kreeg een diepgaand onderzoek in te stellen. En Bontekoe rapporteerde letterlijk:

“Het afvalwater stroomt uit de fabriek door een open riool naar de naast het fabrieksterrein lopende beek, welke uitmondt in het water de Grift. Het water is rood gekleurd en vermengd met fijne papiervezels, welke vast zinken aan de kanten langs de beek en op den duur een verrottingsproces ondergaan”. Genoemde beek is de Nijmolensebeek.

Het loopt ook met dit bedrijf niet goed af. Bij een bezoek van de Arbeidsinspectie op 10 februari 1927 aan de papierfabriek, constateerde men dat het bedrijf ondertussen gesloten was. De laatste papierfabrikant was de NV Verenigde Koninklijke Papierfabriek van Gelder en Zonen te Amsterdam. Deze verkopen in november 1929 de dan nog aanwezige inventaris, gebouwen en buitenterrein aan de heren H. de Vries en Zonen uit Amsterdam. De Vries en zijn drie zonen begonnen te Vaassen op de Runnenberg in 1930 onder de merknaam VENZ een zoetwaren- en chocoladefabriek. De fabrieksnaam “De Veluwe” was daarna voorgoed verleden tijd.

Copyright tekst en foto’s: Freek Bomhof.

Oliemolen Eerbeek

In de Wijerd hebben een tweetal artikelen over de heropening van de Oliemolen in Eerbeek gestaan (nummers 1 en 2 van 2008). Hieronder volgt de tekst van beide artikelen.

Aandrijving Oliemolen Eerbeek – Albert Bongers

Oliemolen Eerbeek
Na 90 jaar stilstand weer in bedrijf

Op vrijdag 16 november 2007 werd na een grondige restauratie de Eerbeekse Oliemolen in werking gesteld. De officiële opening werd verricht door de Gelderse gedeputeerde A. van der Kolk, samen met de Brummense burgermeester N. Joosten.
De oliemolen werd rond 1860 gebouwd naast en als nevenbedrijfje van de korenmolen. Deze korenmolen werd al in 1395 genoemd als behorend bij het Huis te Eerbeek. In de oliemolen werd o.a. ‘beuk geslagen’, d.w.z. olie geperst uit zaden van beukenootjes. Hiermee kon men de fijnste pannenkoeken bakken.

In de Eerste Wereldoorlog is de molen voor het laatst in bedrijf geweest. In 1966 werd het bedrijfje nog gerestaureerd. Hierbij werd tevens de naastgelegen korenmolen afgebroken.
De oliemolen, de enige met waterkracht aangedreven oliemolen op de Veluwe, heeft de status van rijksmonument. De inwerkingstelling was tevens mogelijk geworden dankzij de papierfabriek Coldenhove, waar de grondwaterpomp op de beek geplaatst werd en er voldoende water was om het rad aan te drijven.
Eigenaar Johan van Zadelhoff sprak de diepgewortelde wens uit dat de sprengen en de beek opgeknapt zouden worden zodat er in de toekomst op natuurlijke wijze voldoende water zou zijn.

Jacques Meijer

 

Oliemolen Eerbeek – vervolg heropening

In de vorige aflevering van De Wijerd kon een bijdrage over de heropening van de Eerbeekse Oliemolen vanwege plaatsgebrek niet volledig geplaatst worden. In deze editie daarom het vervolg.

Beuk slaan
Op de Veluwe was het indertijd gebruikelijk ‘beuk te garen’, d.w.z. beukenootjes te verzamelen, om hieruit olie te bereiden, het zogeheten ‘beuk slaan’. Tijdens de heropening werd dit ‘beuk slaan’ gedemonstreerd door het molenaarsechtpaar Mark den Boer en Ada Meurs. Zij werken als vrijwillig molenaars op de windmolen ‘De Passiebloem’ in Zwolle.
Na afloop kregen enkele genodigden, w.o. gedeputeerde Van der Kolk en burgemeester Joosten een flesje olie uitgereikt uit handen van Johan van Zadelhoff.

Ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis schreef Mark den Boer het hiernaast vermelde gedicht. Hierin wordt duidelijk aangegeven waar de problemen van de oliemolen liggen, namelijk een onvoldoende watervoerendheid van de beek. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de verzande sprengkoppen en de lekkende beek. De ‘heropening’ kon slechts geschieden dankzij de pomp van Coldenhove Papier, die grondwater in de beek pompte. Op termijn moet behalve aan beekherstel ook gedacht worden aan vermindering van de grondwater-onttrekkingen in dit gebied.
Sinds de opening van de Oliemolen heeft een onderhoudsploeg van Waterschap Veluwe enige opruimwerkzaamheden verricht in de Coldenhovense beek bovenstrooms van de Harderwijkerweg. Als gevolg van een belemmering liep er water vanuit de beek het bos in. De molen heeft nadien ongeveer vijfmaal op waterkracht kunnen werken zonder water op te hoeven pompen. Johan van Zadelhoff hoopt dat dit in de toekomst vaker zal gebeuren. Hij is gestart met het volgen van een molenaarsvakcursus bij Mark en Ada.
Tijdens de Nationale Molendag heeft de molen weer gedraaid m.b.v. opgepompt water. Rest ons nog te vermelden dat de restauratie een initiatief was van de familie Van Zadelhoff, de gemeente Brummen, de Rijksmonumentendienst, de Stichting het Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen, Provincie Gelderland en Waterschap Veluwe, en behalve door deze instanties mede financieel ondersteund werd door donaties van diverse particulieren en bedrijven.

 

Jacques Meijer.

 

Regelgeving voor de Oliemolen – Albert Bongers

Bekenstichting zet zich in voor restauratie Cannenburghermolen

De Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken heeft in samenwerking met Cultuurland Advies het “Projectplan Restauratie Cannenburghermolen, een plek van betekenis”, opgesteld. In dit projectplan wordt uiteengezet wat er moet gebeuren om de Cannenburghermolen te restaureren om weer aantrekkelijk te worden én welke middelen daarvoor nodig zijn. Onderdelen in het restauratieplan zijn het aanbrengen van een nieuwe molengoot, het restaureren van de waterturbine, het aanbrengen van een waterrad en het plaatsen van een bankje met informatiepaneel. In het bijzonder vraagt de waterturbine de aandacht. Volgens H. Hagens is dit de enige turbine op de Veluwe en voor Nederlandse begrippen is de horizontale as heel bijzonder. Met de waterturbine en het waterrad zal elektriciteit worden opgewekt. Zo wordt zichtbaar hoe waterkracht als duurzame energiebron wordt gebruikt.

Voor een financiële bijdrage zijn de volgende partijen met succes benaderd: Provincie Gelderland, Waterschap Veluwe, Gemeente Epe, Stichting Geldersch Landschap & Geldersche Kasteelen, Rabobank en een particulier. Eerder ontving de Bekenstichting uit het Rabo Coöperatiefonds NOV een cheque van 2.500 euro. Dit bedrag is bestemd voor een zitplaats bij de Cannenburcher Watermolen. Met de restauratie wordt aangesloten bij het project van Geldersch Landschap & Geldersche Kasteelen die op dit moment uitvoering geven aan ‘Cannenburgh Compleet’.

Het is voor de Bekenstichting een bijzonder project in een bijzonder jaar. Op 26 september 2009 viert de stichting haar 30-jarig bestaan. De stichting begon in 1979 met het onderhoud van sprengen en beken. Later hebben de waterschappen deze taak overgenomen. De Bekenstichting is zich in al die jaren echter blijven inzetten voor het behoud van sprengen en beken en de rijke historie die daarmee gepaard gaat. Beleidsmatige betrokkenheid en het uitvoeren van projecten zijn nu de middelen die de stichting inzet om haar doelen te behalen.

Voor nadere toelichting en/of een bezoek aan het gebied kunt u contact opnemen met Jan van de Velde onder T 0578-573018. Informatie is ook te vinden op www.cannenburghermolen.nl.