De historische ontwikkeling en betekenis van het Vaassense bekenstelsel

Inleiding

Vandaag aan de dag “maken we natuur” en “ herinrichten” we ons stedelijk en landelijk gebied voortdurend. Ook onze verre voorvaderen konden er al wat van. Zo is in Vaassen een complex bekensysteem gegraven ten behoeve van de bouw van watermolens. Dit door mensenhand ontstane systeem is vandaag de dag van groot ecologisch en cultuurhistorisch belang, maar diende oorspronkelijk een zuiver economisch doel. Het stelsel van sprengenbeken is nog vrijwel compleet aanwezig en in het omringende landschap is nog goed te zien, hoe de situatie was ten tijde van de aanleg van de sprengen. Zie hier de kaart van dit bekenstelsel.

Het stelsel is nog steeds van praktische betekenis. Het wordt gebruikt voor de watervoorziening van een wasserij en voedt de visvijvers en waterpartijen rondom kasteel de Cannenburgh. In dit artikel zal ik ingaan op het gegraaf en geploeter van onze voorvaderen en de ontwikkelingen in het gebied na de aanleg van de beken en de bouw van de molens. Ik volg hierbij de bekende indeling in onze geschiedenis van nieuwe, nieuwste tijd en onze eigen tijd

Ik hoop, dat dit artikel zal bijdragen aan het vergroten van het besef, dat we hier te maken hebben met een uniek stukje cultuurgeschiedenis, die we moeten waarderen en beschermen.

Nieuwe tijd (1500-1800)

In het begin was er natuurlijke beek. Uit historische bronnen is bekend dat al in 1402 bij de Cannenburgh een korenmolen werd aangedreven met beekwater van een toen nog natuurlijke beek. Vandaag aan de dag is dit nog terug te vinden in een deel van de Rode Beek, welke door het dal van de oorspronkelijke beek loopt. Ook delen van de Geelmolenbeek wekken de indruk op een natuurlijke waterloop terug te gaan. Beide beken zijn later uitgediept en vergraven en staan nu vrij ver van de natuurlijke situatie af.
In de 16e en 17e eeuw is er flink gegraven. De Hattemsche Molenbeek en de Geelmolense Beek (die in Vaassen Dorpenmolenbeek wordt genoemd) liggen aan de noord- en zuidflank van het beekdal. De oudste molens aan de Hattemsche Molenbeek worden al in het midden van de 16e eeuw genoemd. Dat geldt ook voor de onderste molen aan de Dorper Molenbeek (de Dorper Molen) De overige gebouwde molens aan de Dorper Molenbeek zijn in de loop van de 17e eeuw gebouwd en het lijkt waarschijnlijk dat grote delen van de Dorper Molenbeek in het eerste kwart van de 17e eeuw zijn gegraven. De noordelijke tak van de Geelmolense Beek wordt ook wel de Rode Beek genoemd en vormde oorspronkelijk waarschijnlijk de bovenloop van de natuurlijke Rode Beek. Door het water naar de Geelmolense Beek te leiden, konden extra molens worden gebouwd en aangedreven.

Brongebied de Motketel (Henri Slijkhuis)

Brongebied de Motketel (Henri Slijkhuis)

Als laatste werd de Nieuwe Beek graven. De aanleg hiervan heeft plaatsgevonden tussen 1694 en 1698 en daardoor ontstond de mogelijkheid om twee extra molens te kunnen bouwen. Op een kaart van 1726 wordt het complete stelsel al weergegeven en liggen er 17 watermolens aan de beken.
Het systeem is complex doordat er ook dwarsverbindingen tussen de beken en de overlaten werden gegraven. Deze overlaten werden gebruikt voor de afvoer van overtollig water en periodiek om water af te voeren wanneer men onderhoud aan een beek wilde plegen of de watermolen tijdelijk buiten gebruik wilde stellen. Ook werden en worden ten westen van de Cannenburgh verschillende beken van elkaar gescheiden om ijzerarm en ijzerrijk water gescheiden te houden(2). In een vorig artikel ben ik ingegaan op het doel van deze splitsing (3).
Dit ingewikkelde watersysteem was van grote betekenis voor de lokale economie vanwege de vele watermolens die door het water konden worden aangedreven. De eigenaren van de Cannenburgh beseften heel goed, dat de molens flink wat geld in het laatje konden brengen.

Oude Cannenburgher Watermolen.

Oude Cannenburgher Watermolen.

De familie van Isendoorn

De familie Van Isendoorn à Blois was van 1563 tot 1865 eigenaar van de Cannenburgh*. Deze familie heeft het water en de grond steeds in eigendom gehouden. Wel was de betrokkenheid bij de molens aan schommelingen onderhevig. De meeste molens in Vaassen zijn namelijk gesticht door particulieren, die de gronden en water van de eigenaren pachtten. De laatstgenoemden stichtten ook zelf verschillende molens, maar verkochten deze later aan de pachters met uitzondering dan van de graanmolen bij het kasteel. Vanaf 1715 begon echter een omgekeerde beweging en probeerden de Van Isendoorns de molens weer in bezit te krijgen. Van molen na molen werd de pacht van water en grond opgezegd, waarna de molenaar de pacht slechts kon terugkrijgen door zijn molen aan de Cannenburgh te verkopen. De molenaars waren volkomen afhankelijk van de Van Isendoorns. In enkele gevallen bood de molenaar echter flinke weerstand. Als voorbeeld kan hiervoor de Noordelijke Geelmolen dienen. In 1735 zegde Van Isendoorn de pacht van de grond en het water op, maar gaf de molenaar pas in 1752 toe. Rond1755 hadden de heren van de Cannenburgh het overgrote deel van de molens in bezit. Hun rol ging ook veel verder dan het innen van de pacht. Ze bepaalden in feite de productiecapaciteit, regelden de watertoevoer op de molens en het aantal hamerbakken, bemiddelden tussen ruziënde papiermakers, lieten nieuwe beken aanleggen en zorgden voor onderhoud aan beken en bedrijfsgebouwen. In 1865 stierf de laatste Van Isendoorn en in 1865 wees een rechtbank de erfgenamen aan. Een paar jaar later werden de molens verkocht.
Waarom haalden de Van Isendoorns het maximale uit hun landgoed? Hun handelswijze wordt wel verklaard uit hun katholieke geloof, dat ervoor zorgde dat ze niet in aanmerking kwamen voor lucratieve overheidsfuncties en ze werden in ieder geval tot het eind van de achttiende eeuw geweerd uit het ridderschap van de Veluwe.

Dde Cannenburgh anno 2014 (Henri Slijkhuis)

Dde Cannenburgh anno 2014 (Henri Slijkhuis)

Nieuwste tijd (1800-1945)

De Cannenburgh staat centraal in het Vaassense bekenstelsel. Drie van de vier hoofdbeken lopen langs de Cannenburgh en zijn van betekenis voor het park. Ze voeden het uitgebreide vijvercomplex en tevens de grachten rondom het kasteel. Dit park is in de loop van de tijd regelmatig aangepast aan de dan heersende “mode”. Zo is tussen 1812 en 1832 het centrale deel van het park in landschappelijke stijl omgevormd. De drie waterkommen in het bosgebied ten westen van het kasteel werden hierbij vergraven tot slingervijvers, die het centrale element gingen vormen in het park.
De betekenis van de papierindustrie bleef groot in de 19e eeuw. Zo kende Vaassen omstreeks 1854 18 papiermolens met 270 arbeiders (4). In een andere bron wordt gesproken over zestien molens voor de papierindustrie in 1830 op een totaal aantal van twintig watermolens (5). Wat het ook precies geweest is, het was van grote betekenis voor de Vaassense economie. De watermolens leverden ook veel afgeleid werk op. De sprengen moesten onderhouden worden. Dat betekende werk voor de minstbedeelden uit het dorp. Maar ook vervoerders, timmerlieden en smeden kregen opdrachten van de pachters en de eigenaren van de molens.
In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw kregen de Vaassense papierfabrieken het moeilijker ten gevolge van de toepassing van stoommachines elders, wat leidde tot een enorme toename van de papierproductie. Dit betekende verlies aan concurrentiekracht voor de Vaassense papiermolens. Dit had grote gevolgen. Sommige bedrijven werden gesloopt, anderen omgebouwd tot wasserijen. Deze wasserijen stonden aan de basis van een omvangrijke bedrijfstak, die vanaf het begin van de twintigste eeuw mechaniseerde en nog altijd bestaat. In Vaassen zijn op dit moment nog steeds twee wasserijen actief, de Gelderse Stoomwasserij van Delden en CleanleaseFortex BV. (red.: zie ook interview in Wijerd 2013-4 met voormalige eigenaar hr. Poppe). Hoewel in de naam van de eerste bedrijf de term stoomwasserij voorkomt zijn natuurlijk de stoommachines al lang niet meer in gebruik.

In de papierindustrie wist zich alleen het bedrijf Van Delden te handhaven door op te schalen en om te schakelen op bordkarton. Dit bedrijf is pas in 1980 stilgelegd.
De locaties van de molens stonden in enkele gevallen aan de basis voor grote industrieën, die eind negentiende/ begin twintigste eeuw ontstonden. De Aluminium Industrie Vaassen NV (nu Vaassen Flexible Packaging) staat op de plaats van de Dorper molens. De Wattenfabriek Utermohlen (nu Groupe Lemoine) staat op de plaats van de Nieuwe Molen.

Nieuwe Molen later Utermohlen Wattenfabriek vlak na de oorlog

Nieuwe Molen later Utermohlen Wattenfabriek vlak na de oorlog

Aan het einde van de negentiende eeuw en de het eerste deel van de twintigste eeuw werd de economische betekenis van de beken steeds kleiner. Waterkracht werd vervangen door stoommachines en later door diesel- en elektromotoren.

Onze eigen tijd (1945-heden)

De economische betekenis van de beken werd tenslotte zo klein, dat het niet meer lucratief was om de beken te onderhouden. De beken waren nog wel handig om van vervuild afvalwater af te komen. Die functie hebben ook de beken in Vaassen nog jaren vervuld. De erfenis in de vorm van vervuilde oevers en waterbodems heeft het waterschap voor een groot deel opgeruimd. Vanaf 1950 trad verval op en niet alleen in Vaassen. In Apeldoorn werden tussen 1950 en 1980 grote delen van de beken gedempt en overkluisd. Gelukkig is dat in Vaassen niet gebeurd, zodat we nu iedere dag kunnen genieten van helder stromend water door en langs het dorp.
In Vaassen werkte tot in jaren zeventig nog een beekruimer bij de Nijmolense Beek (6). De beekruimer had als taak om de beek schoon te houden, zodat de gebruiker van het beekwater verzekerd bleef van schoon water. Helaas was dat in die tijd een uitzondering geworden.

Nijmolense-beek met koeien 1903. (Vaassen.nu)

Nijmolense-beek met koeien 1903. (Vaassen.nu)

In 1972 bracht de club van Rome een rapport uit over de grenzen aan de groei. Dit leidde langzaam maar zeker tot een omslag in het denken over economische groei en tevens tot een herwaardering van natuur en landschap.
Rond 1980 kun je spreken van de herontdekking van de beken. Vrijwilligers pakten het onderhoud weer op en gingen zich inzetten voor het behoud van het sprengenlandschap. In Epe en Vaassen richtten een paar inwoners in 1979 de Stichting tot Behoud van de Veluwse Sprengen en Beken op.
Het ging nu niet meer om de economische betekenis, maar om de ecologische en cultuurhistorische betekenis van de beken. In 1984 werden de beken onder beheer gebracht bij het waterschap Oost-Veluwe en was in ieder geval weer een instantie verantwoordelijk geworden voor het beheer.
In de afgelopen jaren is in Vaassen flink geïnvesteerd door het waterschap Veluwe en de Stichting Geldersch Landschap & Kasteelen om de beken en het kasteelpark weer op te knappen. Naast ecologische en cultuurhistorische functie van het kasteel en zijn beken spelen de renovaties ook in op een nieuwe economische functie nl. recreatie en toerisme. Hiermee is de cirkel van het Vaassense bekenstelsel weer rond.

Henri Slijkhuis