De Veluwe Sprenglevend? Water stroomt niet vanzelf.

Verslag van het symposium op 22 juni 2017 door Ron Kamperman

3 jaar geleden werd het bekenherstelprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe afgerond. In 25 jaar tijd zijn tientallen beken hersteld. Hiervoor waren een groot aantal beeklopen verdroogd of de leemlagen beschadigd. Nu de beken hersteld zijn stromen ze weer en benutten ze hun ecologische potenties.

De ecologische waarden van sprengen en bronnen zijn hoog, maar sprengen en bronnen zijn niet hetzelfde. Sprengen zijn kunstmatige bronnen die eeuwen geleden door mensenhand gegraven zijn op de flanken van de stuwwal. Dit water leidde men via opgeleide beken naar een watermolen om deze te laten draaien. In natuurlijke bronnen komt water vanuit de diepere lagen in de grond spontaan omhoog en stroomt via de bodem of via op natuurlijke wijze gevormde beekloopjes af.

De sprengen hebben een op wereldwijde schaal gezien unieke ontstaanswijze, want voor zover bekend zijn nergens anders ter wereld op deze wijze sprengen gegraven met als doel grondwater te benutten. De erfgoedwaarde van sprengen wordt wel erkend, maar wordt in het bestaande beleid niet geconcretiseerd.

Opzet symposium

Voorzitter van de Bekenstichting, ing. Jan van de Velde, opende het symposium. Vervolgens gaf bestuurslid Ir. Yolt IJzerman een korte inleiding op het thema. Dagvoorzitter prof. Dr. Jos Bazelmans van Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed introduceerde zichzelf vervolgens en  gaf het woord aan de sprekers. De lezingen werden verzorgd door vier professionals met verschillende vakdisciplines die vanuit hun eigen specialisme de sprengenbeken hebben belicht. Voorafgaand aan de pauze heeft Ruud Lorwa een intermezzo gegeven met als onderwerp ‘De Wenumse Beek’.

Hierna volgt een verslag van wat de sprekers hebben verteld. De presentaties van de sprekers zelf staan op onze website. Na de verslagen van de sprekers volgt een verslag van de afsluitende discussie inclusief een conclusie van het symposium. De discussie werd geleid door dagvoorzitter Jos Bazelmans.

Ecologie

Beken die door grondwater worden gevoegd zijn zeldzaam in Nederland. Op de Veluwe zijn grondwatergevoede beken talrijk. Bijna alle sprengenbeken zijn volgens het door de Provincie gehanteerde HEN-SED systematiek (Hoogst ecologische niveau en Specifiek ecologische doelstelling) hoog ingedeeld. Ze vertegenwoordigen voor ecologie grote waarden. Ook vanuit het Europese Natura 2000 is er belangstelling voor grondwaterbeken. Echter in deze systematiek worden sprengenbeken en bronbeken op één hoop gegooid. In de praktijk spelen erfgoedwaarden nog geen rol bij beheer-selectiecriteria en bij beheer. Systeemecoloog prof. Dr. Ir. Piet Verdonschot van de Wageningen Universiteit vertelt over de ecologische betekenis en potenties van sprengenbeken, maar plaatst ook kanttekeningen. In enkele gevallen zou het voor natuurwaarden beter zijn om sprengen te dempen…

Samenvatting lezing Piet Verdonschot

In Nederland zijn zo’n 300 bronnen of brongebieden. De op één na grootste concentratie van Nederland is te vinden op de oostflanken van de Veluwe. De bronbeken van de Veluwe liggen in glaciale dalen, ontstaan in de voorlaatste ijstijd. Deze beken hebben nooit een meanderend karakter gehad, maar kronkelen door het landschap in flauwe bochten. Er zijn een aantal sleutelfactoren die maken dat bronnen bijzonder zijn:

1. Temperatuur
De temperatuur van het water is in de bron zelf constant, waardoor veel diersoorten hier kunnen gedijen. De mate van voorkomen van soorten is afhankelijk van die constante temperatuur. De voorkomende diersoorten zijn fysiologisch en metabolisch aangepast aan de constante temperatuur van het water.

2. Zuurstof
In bronnen komen door het relatief lagere zuurstofgehalte andere diersoorten voor dan verderop in de beek. De voorkomende soorten hebben zich aangepast aan de mate van zuurstof die aanwezig is in de bron. Samen met temperatuur is zuurstof de meest bepalende factor voor het voorkomen van bepaalde diersoorten.

3. Hydrologie
De mate van stroming van water is mede bepalend voor het voorkomen van diersoorten. De soorten hebben zich ook aangepast aan de stroming of aan het ontbreken daarvan. Zo is het lichaam van een diersoort in een beek met sterke stroming gestroomlijnder dan een diersoort die voorkomt in de bron.

4. Mineralen
Soorten in een bronbeek hebben zich evolutionair aangepast aan de verschillende typen substraten die voorkomen in de beek.

5. Isolatie
De mate van isolatie is tot slot mede bepalend voor sommige soorten.

Ecologische betekenis van sprengen

Bronnen zijn natuurlijk en behoeven geen onderhoud. Sprengkoppen  zijn kunstmatige systemen die zichzelf niet in stand kunnen houden zonder regelmatig te schonen en slib te verwijderen. Ze zijn matig rijk tot arm aan mineralen met een pleksgewijze, matige afvoer. Het water heeft een constante temperatuur en de sprengkoppen zijn geïsoleerd. Het debiet is veelal laag. Zowel bronnen als sprengen herbergen veel bijzondere soorten macrofauna, vissen, schimmels en planten.

Sprengen die niet worden onderhouden hebben een levenscyclus van tussen de 5 en 25 jaar. Binnen de cyclus kunnen vier fases worden onderscheiden.

In de eerste fase is er vooral kaal zand met weinig variatie in structuur. Vervolgens is er de rijpingsfase. Er ontstaat structuurvariatie in substraat-patronen door invallend blad en vestiging van waterplanten. Vervolgens treedt de degradatiefase op. Het blad hoopt zich op en de variatie in structuur neemt af. De zuurstofhuishouding verslechterd en de stroming neemt af. In de laatste fase verlandt de beek en treedt verslibbing op. De stroming van het water stopt en van structuurvariatie is geen sprake meer.

Sprengen moeten dus worden onderhouden om voort te bestaan, maar bronnen niet. In de afgelopen eeuwen zijn sommige bronbeken verdwenen doordat hogerop de stuwwal sprengen werden gegraven en het water via opgeleide beken naar een watermolen werd geleid. De bronnen vielen hierdoor droog.

Het water dat via bronnen omhoog komt, bevat meer mogelijkheden om gradiënten te laten ontstaan dan sprengkoppen. De overgang van land naar water is namelijk zeer geleidelijk bij bronnen. Vanuit het oogpunt van ecologisch functioneren van beeksystemen zouden, op plaatsen waar sprengen bronnen negatief hebben beïnvloed, sprengen en sprengenbeken geleidelijk mogen verdwijnen, zodat natuurlijke bron- en kwelsystemen opnieuw, of beter kunnen gaan functioneren.

Als toch wordt gekozen om een sprengenbeek open te houden dan zou vanuit de ecologische doelstellingen gekozen moeten worden voor sprengen die:

– een sterk debiet hebben en zichzelf langere tijd in stand kunnen houden.
– niet een benedenstrooms gelegen brongebied hebben.
– droog-nat gradiënten naar de omgeving bevatten.

Erfgoed

‘Groen’ erfgoed wordt de laatste jaren steeds meer gezien als volwaardig vakgebied. Maar de erfgoedwaarden van sprengenbeken zijn slecht uitgewerkt. De huidige afwegingskaders, zoals het CEW kompas, fungeren niet bij vraagstukken over sprengenbeken. De watererfgoedwaarden van de oost- en zuid Veluwe zijn wezenlijk anders dan elders in Nederland. Sprengenbeken vormen een belangrijk onderdeel van de Veluwse beken en ze zijn een wezenlijk onderdeel van het Veluwse erfgoed. Het onderhoud van deze kunstmatige beeklopen is een actueel thema. Sprengenbeken zijn kwetsbaar en het onderhoud is intensief. Prof. Dr. Hans Renes van de Universiteit Utrecht heeft al meerdere publicaties op zijn naam staan over sprengenbeken, en houdt zich met het thema al meer dan 20 jaar bezig.

Samenvatting lezing Hans Renes

De sprengen op de Veluwe zijn wereldwijd uniek. Het is niet bekend dat ze elders voorkomen.

Door te bezuinigen op onderhoud van sprengenbeken wordt meer kwijtgeraakt dan opgelost. Het onderhoud aan sprengenbeken wordt uitgevoerd door het waterschap, maar wordt  min of meer gezien als een niet-primaire taak en daarom staat het onderhoud van sprengenbeken regelmatig op de nominatie voor bezuinigingen. Een extra probleem hierbij is dat minder frequent onderhoud op de korte termijn gunstig kan zijn voor ecologische waarden, waarmee gescoord kan worden. Op de langere termijn werkt minder onderhoud echter ook de ecologische waarden van sprengenbeken tegen, doordat de beekbodem dichtslibt en de grondlichamen in kunnen storten. Hier is geen plant- of diersoort bij gebaat. Onderhoud van deze cultuurhistorische elementen blijft nodig.

Het landschap van de sprengenbeken combineert natuur met cultuur. De natuur is bijzonder en wordt zeer gewaardeerd, maar cultuurhistorie voegt hier veel aan toe. Terreinbeheerders worden vooral beoordeeld op de mate waarin natuurdoelen gehaald worden, maar bij excursies worden naast natuurwaarden toch ook de geschiedenis van de beek beschreven. Het landschap is een onuitputtelijke bron van herinneringen waar we zuinig mee om moeten gaan.

Ruimtelijke ontwikkelingen en erfgoed; verschillende benaderingen

Wie een plan maakt voor een ruimtelijke ontwikkeling moet hierbij aangeven of er archeologische terreinen of beschermde gebouwen liggen. Cultuurhistorie is binnen deze sectorbenadering een onderdeel van een afvinklijst. Een beschermde status stelt een norm, maar is ook een zielloze bezigheid.

De factorbenadering is te associëren met de Nota Belvedere uit 1999. Hierbinnen werd het mogelijk om ruimtelijke ontwikkelingen en bescherming van erfgoed bij elkaar te brengen. Professionals op het gebied van erfgoed dachten mee om beschermde monumenten te betrekken bij nieuwe ontwikkelingen. Langzaam kwam er een minder verdedigende houding en werd het mogelijk om erfgoed te zien als mede-ontwikkelaar.

De vectorbenadering gaat een stap verder en wil erfgoed gebruiken in de vormgeving van de toekomst. Erfgoeddeskundigen, planologen maar ook bewoners worden opgeroepen te participeren bij deze plannen. Het blijkt geen invuloefening om sprengenbeken een passende plek te geven binnen ruimtelijke ontwikkelingen. Het is goed om te streven naar een beleid waarin erfgoed wordt gezien als iets waar men van kan profiteren, en niet als iets waarbij alleen onderdelen verloren kunnen worden als er ingrepen plaats vinden. Er moeten vaste erfgoedprofessionals worden aangesteld bij de verschillende overheden.

Grondwater

Het grondwater van de Veluwe is in Europese context een uniek systeem. Elders vormen rotsmassieven een wezenlijk onderdeel van grondwatersystemen. Op de Veluwe ontbreekt deze factor volledig en stroomt het water in de ondergrond door zand en leem. Veel gebiedspartijen op de Veluwe willen het water graag gebruiken voor allerlei doeleinden, waarvan drinkwatervoorziening prominent aanwezig is. Enerzijds wordt het grondwater minder gevoed op de stuwwalplateaus, anderzijds is de afvoer toegenomen. Dit speelt zich ondergronds af en blijft onzichtbaar. De dalingen in het Veluwse grondwater verlopen heel langzaam en de gevolgen van ingrepen zijn daardoor pas veel later zichtbaar. Vanuit het kunstmatige karakter van de sprengenbeken kan worden gesteld dat deze gevoeliger voor grondwaterdalingen zijn dan bronbeken. Prof. Flip Witte werkt voor onderzoeksbureau KWR en heeft onderzoek gedaan naar de verdrogingsproblematiek op de Veluwe.

Samenvatting lezing Flip Witte

Als er geen grondwater beschikbaar is, stromen de beken op de Veluwe niet. De grootste verliespost van water op de Veluwe is verdamping. Het regenwater dat uiteindelijk wél de grond inzakt komt na tientallen jaren langs de flanken van de stuwwal dichter aan de oppervlakte. Op meerdere niveaus kan het water gedraineerd worden. Dat maakt de situatie gecompliceerd. Door de aanwezigheid van scheefliggende ondoorlatende keileemlagen kunnen er schijngrondwaterspiegels aanwezig zijn. Op deze plekken is het grondwater dichter bij de oppervlakte dan op plekken waar deze ondoorlatende lagen dieper of vlak liggen of ontbreken.

Oorzaken verdroging

De Veluwe is in de afgelopen eeuw sterk verdroogd. Dit heeft als gevolg gehad dat in de loop van de 20e eeuw de afvoer van veel sprengenbeken is afgenomen.  Dat werd nog versterkt door achterstallig onderhoud. Door de grootschalige herstelwerkzaamheden van het Waterschap Veluwe is dit laatste grotendeels teruggedraaid, maar ondanks dat voeren de sprengen minder water dan voorheen.

De verdroging op de Veluwe is echter nog steeds in gang. Er zijn een aantal oorzaken:

– De omgeving wordt ontwaterd. Bijvoorbeeld de IJsselvallei, de Geldersche Vallei, de Betuwe en de Flevopolders dragen bij aan het ontwateren van de Veluwe.
– Ook drinkwatervoorzieningsbedrijven zijn grote afnemers van Veluws grondwater.
– Op enkele plekken op de flanken van de Veluwe wordt door het bouwen van diepe kelders boven de sprengkoppen de ondergrond verstoord. Dit heeft invloed op de watervoerendheid van de sprengkoppen.
– Toegenomen verdamping van neerslagwater op de Veluwe is een mede-veroorzaker van de verdroging op de Veluwe. In de 20e eeuw is de Veluwe herbebost, na eeuwenlang voor een groot deel uit heide en stuifzand te hebben bestaan. Neerslag wordt door bomen verdampt. Vergeleken met loofbomen dragen naaldbomen nog meer bij aan de toenemende verdamping. Een aanzienlijk gedeelte van de Veluwse bosopstanden bestaat uit naaldbos.

Maatregelen tegen verdroging

De grootste veroorzaker van verdroging is verdamping door bomen. 57% van al het waterverlies kan hieraan worden toegeschreven. Dit kan worden teruggedrongen door een aantal verschillende maatregelen uit te voeren:
– stuifzanden terugbrengen op de Veluwe;
– naaldbos omzetten in loofbos;
– oppervlaktewater laten infiltreren.

Conclusie

De verdroging op de Veluwe heeft een sluipend karakter en is een onbedoeld gevolg van menselijk handelen. Sprengen zijn hiervoor extra gevoelig. Veel factoren dragen aan de verdroging bij. Verdroging kan echter vermeden en bestreden worden. De aanpak om de verdroging te bestrijden vraag een centrale regie.

Toerisme en recreatie

Elk jaar komen honderdduizenden toeristen van de Veluwe genieten. De sprengenbeken spelen hier ongetwijfeld een rol bij, maar welke? Een relatief onderbelicht onderwerp binnen het onderzoek naar de problematiek van de sprengenbeken is recreatie en toerisme. Voor het voortbestaan van sprengenbeken is het belangrijk dat deze bekend en bemind worden door bewoners van de regio, toeristen en recreanten. Dr. Michiel Flooren is Programmamanager gebiedsontwikkeling leisure/KC Hospitality, en daarnaast onderzoeker. Hij gaf een lezing over de betekenis en potentie van sprengenbeken in relatie tot recreatie en toerisme.

Samenvatting lezing Michiel Flooren:

Door beleving van erfgoed kun je er met andere ogen naar gaan kijken. Erfgoed moet beleefd kunnen worden. Als er niks mee wordt gedaan raakt het in de vergetelheid.

Cultuurreizen beslaan meer dan 20% van de toerismemarkt binnen de Europese Unie. Bij deze reizen zijn met name steden de bestemming. Tussen 2013 en 2025 zal de groei van buitenlands toerisme naar verwachting met meer dan 3 miljoen bezoekers stijgen.

In het uitvoeringsprogramma ‘Veluwe op 1’, dat is opgezet door Provincie Gelderland, verschillende gemeenten, Natuurmonumenten en een aantal grote toerisme-gerichte bedrijven, is als hoofddoel opgenomen dat in 2025 de Veluwe de meest gastvrije bestemming van Nederland is, waarin een hoge biodiversiteit in balans is met een unieke beleving van het landschap, erfgoed, dorpen en steden.

Een plek, landschap of gebouw heeft op meerdere manieren waarde. De aspecten ouderdom, ontwerp, bijzondere kwaliteiten en de context zijn mede bepalend voor de ziel en betekenis ervan. Waardevol cultureel erfgoed is op zichzelf weerloos tegen bedreigingen van buitenaf.

Door het erfgoed te gebruiken voor andere doeleinden behoudt en versterkt het zijn bestaansrecht. Een expert ziet andere aspecten in erfgoed dan een bezoeker. Een expert bekijkt erfgoed vanuit de geschiedenis, feiten, relevantie en significantie. Een bezoeker ziet hetzelfde erfgoed en kan het uniek vinden, betekenisvol en interessant. Hij wil zich er iets bij verbeelden en het zien als onderdeel van een verhaal. Hierbinnen kan gezocht worden naar een raakvlak. Er zijn verschillende typen toeristen. De ‘cultuurkijker’ gaat op cultuurreis om vermaakt te worden en heeft weinig interesse in het verhaal achter de plek. Een ander uiterste is de ‘cultuurzoeker’. Hij heeft veel interesse in de plek waar hij is en wil graag iets leren. Hier tussen zit de ‘cultuurganger’ die zowel vermaakt wil worden als iets wil leren over de plek.

Door de collectie aan sprengenbeken op de Veluwe te verbinden met toerisme en recreatie kan dit cultureel erfgoed gebruikt worden en zo zijn voortbestaan worden verzekerd. Door te zoeken naar een manier waarop de verschillende typen toeristen en recreanten gebruik kunnen maken van de sprengenbeken worden deze parels beschermd.

Discussie

Na afloop van de lezingen zijn in de zaal verschillende stellingen voorgelegd door de dagvoorzitter. De aanwezigen in de zaal kregen de gelegenheid om aan te geven of ze voor of tegen de stelling waren. Vervolgens liep de dagvoorzitter de zaal door om van willekeurige aanwezigen toelichting te vragen op hun keuze ‘voor’ of ‘tegen’.

Stelling van Hans Renes: “Voor een optimaal gebruik van de cultuurhistorische kansen is professionele kennis nodig bij gemeenten en waterschappen”

Een vertegenwoordiger van Stichting Renkums Beekdal is tegen. Hij vindt dat de deskundigheid bij de burgers zou moeten liggen; zij maken immers gebruik van de sprengenbeken. Binnen de participatiesamenleving is het passend dat burgers verantwoordelijk zijn voor het instandhouden van de sprengenbeken.

Een heemraad van het Waterschap Vallei en Veluwe stelt dat er al voldoende basiskennis aanwezig is om onderbouwde beslissingen te nemen over sprengenbeken. Hiervoor hoeven niet extra specialisten te worden aangetrokken.

Een voormalig lid van de Commissie cultuurhistorie (vm. Monumentencommissie) gemeente Rheden onderschrijft de stelling van Hans Renes “Voor een optimaal gebruik van de cultuurhistorische kansen is professionele kennis nodig bij gemeenten en waterschappen”. In de gemeente Rheden is dit prima geregeld: De commissie Cultuurhistorie bestaat uit professionals van alle relevante vakgebieden, waar een burgerlid aan toegevoegd is die ook professioneel geschoold is (architectuur historie, planologie). Dit burgerlid vertegenwoordigt de plaatselijke bevolking vanuit de Oudheidkundige Kring Rheden Rozendaal en brengt ook de kennis in van de plaatselijke historie. Als er meer kennis noodzakelijk is kan die worden ingeschakeld.

De erfgoeddeskundige van de gemeente Apeldoorn stelt dat inbreng en kennis van burgers erg belangrijk is bij het nemen van beslissingen, maar daarnaast moeten er plannen worden gemaakt. Deze plannen hebben veel tussenstappen. Het voortstuwen van een project vergt discipline en continuïteit. Dit kun je van een professioneel deskundige wel vragen en van een vrijwilliger niet.

De stadsecoloog van Zwolle zegt dat niet bij het gehele traject professionals betrokken hoeven te worden, maar bij het nemen van belangrijke beslissingen of het uitwerken van complexe onderdelen wel.

Een vertegenwoordiger van Staatsbosbeheer zegt dat binnen organisaties deskundigen met verschillende disciplines zitten. Zij voeren onderling ook al discussies die waardevolle inbreng leveren bij projecten.

De Programmanager Ruimtelijke ontwikkelingen van Hogeschool Saxion stelt voor om intergemeentelijke organisaties op te richten voor kleinere gemeenten. Deze organisatie moet in elk geval vakdeskundigen bevatten, maar ook iemand die over de grenzen van de verschillende disciplines heen kan kijken.

Het laatste woord bij deze stelling wordt gegeven aan Hans Renes. Hij maakt hiervan gebruik door te zeggen dat de professional zichzelf opnieuw moet uitvinden. Juist hij moet meer kunnen en willen dan het afgeven van vergunningen. Professionals weten andere dingen dan burgers en moeten deze kennis inzetten bij hun werk. Alle aanwezigen kunnen zich vinden in deze conclusie.

Stelling van Piet Verdonschot: “Bij de keus voor het behoud van een sprengenbeek dient de waterhuishouding van het stroomgebied, de positie in het landschap en de vorm bij te dragen aan de ecologische waarde”

Een vertegenwoordiger van gemeente Epe stelt dat de eerste zin in de stelling over ‘behoud’ gaat. Per definitie is dan onderhoud nodig. De stelling moet luiden: met onderhoud creëer je natuurwaarden in sprengenbeken.

De heemraad van het Waterschap stelt dat het benaderen van een sprengenbeek vanuit alleen een cultuurhistorisch oogpunt te lastig is. Hier is een integraal perspectief voor nodig waarbij de beek vanuit alle andere invalshoeken bekeken moet worden.

De stadsecoloog van Zwolle stelt voor de stelling anders te formuleren. Bij de afweging tussen cultuurhistorie of ecologie moet worden gekeken naar de ecologische potenties van de betreffende beek. Yolt Ijzerman vult hierop aan dat dit al is gedaan op landgoed Tongeren in Epe. Hier is de sprengkop vergraven ten gunste van de ecologische potenties. Jan van de Velde, voorzitter van de Bekenstichting stelt dat op plekken waar watermolens zouden kunnen functioneren, cultuurhistorie het primaat zou moeten krijgen.  Voorbij de watermolen kan worden gekeken naar de ecologische potenties.

Een zelfstandig erfgoeddeskundige in de zaal vindt dat een watermolen best zou mogen vervallen zolang deze nog herkenbaar blijft als relict.

De vertegenwoordiger van de gemeente Epe vindt dat bij de keus voor ecologie moet worden gekeken naar de beken die hiervoor de meeste potenties hebben. Hier kunnen de pijlen voor optimale benutting van ecologische potenties op worden gericht.

Geldersch Landschap wil bij de benadering van sprengenbeken geen splitsing tussen cultuurhistorie of natuur. Je zou op systeemniveau moeten kijken. Het gehele systeem moet worden beschouwd, want je hebt beide nodig. Zowel cultuurhistorie als ecologie.

Het laatste woord is voor Piet Verdonschot. Hij is het eens met de opmerking van de vertegenwoordiger van Geldersch Landschap. Je moet bij vraagstukken over sprengenbeken vanuit het systeem naar de mogelijkheden kijken, en meerdere posities overwegen.

Van de aanwezigen in de zaal is na afloop van deze discussie de helft voor en de helft tegen de stelling.

Stelling Flip Witte: “De (grond)waterhuishouding van de Veluwe vraagt om een centrale regie, anders zal het gebied geleidelijk steeds verder verdrogen”

Programmanager Ruimtelijke ontwikkelingen van Hogeschool Saxion is huiverig voor het instellen van een centraal regie-orgaan. Hij wil eerst weten welke partijen dan regie voeren.

Flip Witte zelf ligt toe dat er één waterregisseur moet komen met als doel het bewustmaken van het belang van Veluws water. Hierbij is het opleggen van een toeslag voor gebruikers van Veluws water niet ondenkbaar.

De vertegenwoordiger van de Kroondomeinen zegt dat grondwater een strategische hulpbron is. De verantwoordelijkheid moet bij de Provincie blijven zoals nu het geval is.

De vertegenwoordiger van de Provincie Gelderland is het hier mee eens. De belangrijkste doelstelling is het tegengaan van de verdroging op de Veluwe.

Het laatste woord is aan Flip Witte. Hij wil een andere stelling inbrengen, namelijk dat 90% van de naaldbomen gekapt moeten worden. Naaldbomen verdampen namelijk naar verhouding veel meer water dan loofbomen.

Het merendeel van de aanwezigen in de zaal is het ermee eens dat het aandeel naaldbomen op de Veluwe minder zou mogen.

Stelling Michiel Flooren: “Prioriteit voor vrijetijd” indien het gebiedsprogramma “De Veluwe op 1” serieus wordt genomen

Een vertegenwoordiger van de Provincie Gelderland ziet de stelling als een voorstel om meer parkeerplaatsen aan te leggen. Hij ziet het niet zitten als dit bij de sprengenbeken gebeurt, want de Veluwe moet geen pretpark worden.

Een vrijwilliger van de Bekenstichting reageert door te stellen dat voorkomen moet worden dat het een pretpark wordt, en dat is een taak voor professionals van terreinbeherende organisaties en overheden. De sprengenbeken moeten wel beleefbaar worden gemaakt voor toeristen.

Na afloop van de discussie is 80% voor de stelling, 20% tegen.

Conclusie

Het thema van de dag is de omgang met sprengenbeken: hoe gaan we na 25 jaar beekherstel om met de sprengenbeken? De sprengenbeken worden door een aantal beleidsprogramma’s gebruikt om natuurdoelen te behalen. Als bij het nemen van beslissingen voor onderhoudsniveaus cultuurhistorie helemaal buiten beschouwing blijft, wordt het overwegend kunstmatige karakter van de sprengenbeken aangetast. Hierbij worden niet alleen cultuurhistorische waarden aangetast, maar wordt op de langere termijn het behalen van natuurdoelen ook moeilijker. Deze overwegingen spelen zich af tegen de achtergrond van een ander probleem; de langzaam voortschrijdende verdroging van de Veluwe. Maar naast ecologische, cultuurhistorische en hydrologische factoren speelt het in goede banen leiden en stimuleren van toerisme ook een grote rol bij het voortbestaan van de sprengenbeken.

Dit levert complexe situaties op. Eén ding is duidelijk: het is noodzakelijk om vanuit de basis te redeneren. Dat is namelijk het herstel van landschappelijke ecologie. Een beek kan alleen voortbestaan als het hele systeem intact is. Dus: stromend water van goede kwaliteit. Daarna kan pas worden verder gedacht over de andere factoren.

Een andere conclusie van deze middag is dat de problematiek integraal is. Er leken vooraf tegenstellingen te bestaan tussen de verschillende belangen. Maar ecologische doelstellingen, behoud van cultuurhistorie en het  tegengaan van de verdroging zijn aan elkaar verbonden. De tegenstellingen zijn schijn. In de nabije toekomst moet worden gewerkt aan een systeem om sprengenbeken te kunnen beoordelen op cultuurhistorische waarden en ecologische potenties in evenwicht. Alleen dan kunnen weloverwogen beslissingen worden gemaakt voor het behoud van sprengenbeken, of misschien zelfs het bewust laten vervallen van een enkel cultuurhistorisch (onderdeel van) sprengenbeken.

 

De Bekenstichting streeft naar goed onderbouwde, integrale beleids- en beheerkeuzes die zijn gebaseerd op wetenschappelijke kennis en de nieuwste inzichten. De Bekenstichting ziet zich als serieuze gesprekspartner voor overheden. Door het delen van kennis kan de discussie zich verdiepen. Dit symposium draagt daar aan bij.