Een verborgen landschap in een oude beekloop

Dit artikel is verschenen in de Wijerd van maart 2015

Door Peter Schut

De huidige beken hebben in de loop van de geschiedenis regelmatig hun loop verlegd. Soms door actief of passief ingrijpen van de mens terwijl elders door erosie, obstakels (boomval) of veranderingen in neerslag het water werd gedwongen een andere weg te zoeken. Van de natuurlijke loop kunnen we nog een indruk krijgen door bodem- en geomorfologische kaarten te bestuderen terwijl het moderne Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) tegenwoordig het belangrijkste hulpmiddel is. De verdwenen Houtbeek, die overigens tot in de zestiger jaren bij zware regenval nog watervoerend was en zelfs tot overstromingen van de nieuwe A1 kon leiden, is hierop nog steeds goed te herkennen (afb.1).

Afb. 1  Iets onder het midden is de slingerende Houtbeek te herkennen door de iets donkerdere kleur op het AHN (bron  ahn.nl).

Afb. 1 Iets onder het midden is de slingerende Houtbeek te herkennen door de iets donkerdere kleur op het AHN (bron ahn.nl).

Het is de bovenloop van de Esvelderbeek. In deze bijdrage gaat het over de resultaten van een opgraving in Harselaar West-West waar onder andere een duizenden jaren oude beekloop werd teruggevonden. Het gaat in dit geval niet om de beek zelf maar vooral over de geschiedenis van het omringende landschap dat verborgen zit in stuifmeel in de beekafzettingen. In de loop van duizenden jaren heeft zich het stuifmeel laag voor laag afgezet. Door nauwgezet microscopisch onderzoek kunnen we het landschap ‘uitlezen’ (Afb.2).

Afb. 2 Op het AHN is in het midden  de tegenwoordige Esvelderbeek herkenbaar. In blauw is de globale beekloop in Harselaar West-West aangegeven. (bron: ahn.nl).

Afb. 2 Op het AHN is in het midden de tegenwoordige Esvelderbeek herkenbaar. In blauw is de globale beekloop in Harselaar West-West aangegeven. (bron: ahn.nl).

Harselaar West-West

De bewoningsgeschiedenis

In 2009 en 2011 werd in opdracht van de gemeente Barneveld in verband met de aanleg van een bedrijventerrein een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch bedrijf BAAC bv voerde het onderzoek uit. De opgravingsresultaten zijn in 2013 gepubliceerd en de volgende informatie is hieraan ontleend. De resultaten zijn bijzonder interessant. Op de eerste plaats werden hier vuurstenen werktuigen en haardkuilen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van jagers/verzamelaars die hier ca. 8000 jaar geleden hun kampement hadden opgeslagen. In de Late IJzertijd (200 v. Chr. Tot 50 na Chr.) woonden hier boeren. In totaal werden delen van zeven erven met bijbehorende spiekers (graanopslagplaatsen) teruggevonden. Deze boeren woonden op korte afstand van een beek op een wat hoger liggend dekzandkopje in het beekdal. Bijzonder was de vondst van een vermoedelijke cultusplaats uit deze periode. Waarom zij hun boerderijen verlieten weten we niet met zekerheid. Mogelijk werd het te nat of misschien speelde de onrust als gevolg van de komst van de Romeinen ook een rol. In ieder geval werden de akkers en erven weer aan de natuur teruggegeven.

Afb. 3 De ligging van de middeleeuwse erven aan weerszijden van de beek. Aan de noordzijde is een beekloop te zien die onderdeel uitmaakte van de Zeumerensebeek (bron: BAAC bv).

Afb. 3 De ligging van de middeleeuwse erven aan weerszijden van de beek. Aan de noordzijde is een beekloop te zien die onderdeel uitmaakte van de Zeumerensebeek (bron: BAAC bv).

Pas rond 1200 werd het gebied definitief ontgonnen en verschenen de eerste boerderijen (afb.3). Aan de zuidoever van een beek werd een tweetal erven aangetroffen. Vervolgens verschoof de bewoning naar de noordzijde van de beek waarbij uiteindelijk de boerderij Reymeckersgoed, later Klein Harselaar genaamd, ontstond. Hoe interessant ook, hier willen we het vooral hebben over de beek. Voor de geïnteresseerden zijn de resultaten van deze opgraving samengevat in een publieksboekje dat evenals de informatie op een informatiepaneel en het volledige rapport is te downloaden. Naast veel andere informatie kunnen de biologisch geïnteresseerden gedetailleerde informatie vinden over de vegetatiegeschiedenis rond de beek. Hier worden alleen de hoofdlijnen beschreven.

De prehistorische Esvelderbeek

Hoewel de beekloop niet gevolgd kon worden, is het waarschijnlijk dat we te maken hebben met een voorloper van de Esvelderbeek die nu 600 meter zuidelijker stroomt. Het beekdal is in de loop van duizenden jaren geleidelijk opgevuld. Het gevonden beekdal was ongeveer 5 tot 10 breed. Iedere laag bevat daardoor voor de verschillende perioden karakteristiek stuifmeel (afb.4). Stuifmeel, ook wel pollen genoemd, kan onder gunstige omstandigheden lang bewaard blijven in de bodem. Door per laag bodemmonsters te nemen kan het aanwezige stuifmeel microscopisch worden onderzocht om op basis daarvan een reconstructie te maken van de omgeving. Jammer genoeg bleken de stuifmeelkorrels niet in iedere laag bewaard te zijn, maar voor drie perioden is voldoende materiaal verzameld om een beeld te kunnen geven. Op basis van de vegetatie in samenhang met vergelijkbare gedateerde vondsdten kan ongeveer bepaald worden hoe oud de betreffende laag is. Daarnaast zijn al dan niet verkoolde macroresten van planten, hout , zaad en granen worden verzameld om het beeld compleet te maken.

Afb. 4 Profiel over de beekloop met de verschillende lagen. 4 = Neolithicum; 3 = Bronstijd;  2= Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. (bron: BAAC bv).

Afb. 4 Profiel over de beekloop met de verschillende lagen. 4 = Neolithicum; 3 = Bronstijd; 2= Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. (bron: BAAC bv).

De beekloop

Het diepste deel van het beekdal kon niet worden onderzocht waardoor we jammer genoeg niet weten hoe oud deze exact is, maar verschillende lagen bieden voldoende houvast om een interessant beeld te krijgen van de ontwikkeling van het landschap.

Het Neolithicum (5200 – 2000 v. Chr.)

De oudste monsters dateren uit het Neolithicum. Het is de periode waarin zich de landbouw in ons land ontwikkelde. In Harselaar zijn in het stuifmeel echter nauwelijks aanwijzingen voor landbouw gevonden, terwijl andere archeologische vondsten bijvoorbeeld kenmerkende stenen bijlen ook zeldzaam zijn. Hiervoor moeten we meer naar het oosten richting Garderen of Lunteren zijn. Een deel van de grafheuvels dateert uit deze periode. Op de drogere delen van het landschap (dekzandruggen en stuwwallen) groeide het gemengde eikenbos met eik, hazelaar, den en linde en in mindere mate iep, berk en hulst. Het bos was niet overal even dicht en er moeten ook lichtere plekken zijn geweest waar wat heide groeide. Tegen de bomen kwam maretak, klimop evenals kamperfoelie voor, terwijl op de bodem grote muur, adelaarsvarens en eikvaren groeiden. In de nattere delen ontwikkelde zich het elzenbroekbos met vooral els en wilg.

Op de meer open plaatsen kwam een grote rijkdom aan planten voor zoals lint- en buisbloemigen, (veder) distel, anjer, roos, ganzenvoet en kruisbloemigen, boterbloem, brandnetel, veldzuring en alsem etc. Heide en grasland waren sterk in de minderheid. Het ontbreken van waterplanten wijst erop dat het water in de beek voedselarm was, maar langs de beek groeide onder andere brandnetel, alsem, akker- en kruldistel, niervaren, koningsveren en gele lis.

Bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)

De stenen bijlen uit het Neolithicum werden in de Bronstijd vervangen door werktuigen van brons. In de omgeving van Garderen werden onder andere op de Bergsham grafheuvels uit deze periode aangetroffen. In deze periode verveent het beekdal. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de verdere vernatting van de Gelderse Vallei die al in het Neolithicum was begonnen. Op de hogere delen van het landschap is nog steeds sprake van gemengd eikenbos, maar nu verschijnt ook de esdoorn, beuk en lijsterbes. Het aantal aanwijzingen voor akkerbouw of beweiding blijft klein maar is een fractie hoger dan in de vorige periode.

IJzertijd tot Late Middeleeuwen (800 v. Chr. – 1000 A.D.).

Jammer genoeg weten we niet wat zich landschappelijk in de volgende perioden afspeelde. Een laag met goed bewaarde pollen ontbreekt. Wel weten we op basis van archeologische vondsten dat de hogere delen van het landschap in de late ijzertijd bewoond werden waarbij akkerbouw en veeteelt de belangrijke bestaansbronnen vormden.

Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.

Ergens in de late middeleeuwen verandert het landschap drastisch als gevolg van de ontginning van het gebied. De bisschop van Utrecht neemt hiertoe het initiatief in het zuidwestelijke deel van Barneveld terwijl de kloosters van Elten en Paderborn een rol speelden in het gebied Harselaar – Voorthuizen. Ontwatering was daarbij de grootste uitdaging. De open plekken in het bos werden groter en aan de randen daarvan verschijnt veelvuldig de hazelaar. Als gevolg van het ingrijpen van de mens (bouwmateriaal en brandstof) verdween de eik grotendeels uit het landschap. Enkele houtskoolmeilers (eik) die bij de opgraving gevonden zijn, dateren uit de elfde/twaalfde eeuw. Naast de eerder genoemde boomsoorten kwam ook de haagbeuk voor. In de lagere delen van het landschap overheerste het elzenbroekbos net zoals in de voorgaande millennia. Deze delen werden deels pas laat ontgonnen en vormden tot in de negentiende eeuw de uitgestrekte natte heide.

Op de steeds groter wordende open plekken treffen we heide (schapen) en grasland aan (extensief weiden van runderen) waar smalle weegbree, ratelaar, scherpe boterbloem en kruiskruit voorkomen, terwijl op de hogere delen akkers werden aangelegd waar gerst/tarwe, en rogge werd verbouwd. Ook werd vlas verbouwd voor de olie (lijnzaad) enof de vezels om er linnen van te maken. Het stuifmeel van de wouw wijst erop dat deze plant gebruikt werd om hieruit gele kleurstof te winnen. Op de akkers kwam verder gewone spurrie, schapenzuring, perzikkruid, brandnetel en alsem voor, terwijl op de wat vochtige delen van braakliggende de akkers donker en geel hauwmos en land-/watervorkje voorkwamen.

De beekloop verlandt rond de vijftiende eeuw. Mogelijk is deze door ingrepen van de mens stroomopwaarts verlegd waarna de beek ongeveer de huidige loop van de Esvelderbeek zal hebben gekregen (afb.1).

Macroresten

In de beek werden geen macroresten aangetroffen. In een paalkuil uit de zestiende/zeventiende eeuw werd naast rogge en haver ook vlas aangetroffen. Ook werden akkeronkruiden als zwaluwtong, schapenzuring en valse kamille aangetroffen. Opvallend is de aanwezigheid van doornappel. Een zeldzame giftige plant die onder ander gebruikt werd in heksenzalf.

In een negentiende eeuwse greppel en in de pot of grupstal zijn veel macroresten aangetroffen. Hier werden de doppen van boekweit, roggekorrels en bramenpitten teruggevonden. Evenals grote variatie aan boomsoorten ( eik, wilg, fijnspar, els en berk), akkeronkruiden (vogelmuur, korensla, hanenpoot etc.) en planten die wijzen op het regelmatig betreden van de bodem (weegbree, straatgras en ridderzuring) geven een totaalbeeld van deze recente vegetatiegeschiedenis. In de stal werden heideplaggen gebruikt om te vermengen met de mest. Hooi werd gedeeltelijk gehaald uit de omgeving van de Zuiderzeer getuige de vondst van een vrucht van schorrenzoutgras.

Beeklopen kunnen dus een schat aan informatie bevatten. Zowel over de geschiedenis en veranderingen van de natuur aan de oevers alsook over de menselijke bewoning.

 Meer lezen

http://www.barneveld.nl/actueel/nieuws_43017/item/wethouder-gj-van-den-hengel-onthult-informatiepaneel-harselaar-west-west_59341.html.

– M.C. Brouwer Barneveld, Harselaar West-West vindplaats A, ’s Hertogenbosch BAAC-rapport A-11.0374.
– M. C. Brouwer 2013: Op die saelwehr staende een huijs. Sporen van erf Klein Harselaar met middeleeuwse voorgangers en een nederzetting uit de IJzertijd te Barneveld, Harselaar West-West. ’s Hertogenbosch BAAC rapport A-11.0390.
– P. Schut 2014: Harselaar West-West : duizenden jaren van bedrijvigheid. (uitgave gemeente Barneveld)