In gesprek met Yolt IJzerman

In het kader van het 35 jr. jubileum zijn twee interviews gehouden met medewerkers van de Bekenstichting van het eerste uur. Het interview van Peter Stork is in Wijerd-03 2014 gepubliceerd. Het interview van Yolt IJzerman wordt in Wijerd-04 2014 gepubliceerd.

In de serie ‘Oral history’ spraken we ditmaal met Yolt IJzerman, wiens doctoraalscriptie van grote waarde bleek voor de net opgerichte Bekenstichting.

Voor dit interview reisden we af naar het Friese Aldeboarn, gelegen aan de Friese beek de Boorne of Boarn. Daar werden we opgewacht door Yolt in zijn sfeervolle woning. Hij was de avond tevoren thuisgekomen na een verblijf in ziekenhuis en revalidatie, dit als gevolg van een val. Zijn onafscheidelijke hond verbleef nog in het pension.

Yolt werd in 1950 te Amsterdam geboren. Zijn ouders studeerden daar sociologie en zijn vader werd uiteindelijk hoogleraar aan de Universiteit van Groningen. Een groot deel van zijn jeugd bracht hij door tegen de duinen in Wassenaar dat het natuurgevoel, dat hij al van zijn ouders meekreeg, versterkt heeft. Midden jaren ’60 van de vorige eeuw verhuisde hij naar het Groningse Haren. Daar ontwikkelde zijn biologische belangstelling verder wat er toe leidde dat hij in 1970 verhuisde naar Wageningen, waar hij biologie en bosbouw studeerde.

Yolt IJzerman (foto Wiebe Kiel)

Yolt IJzerman (foto Wiebe Kiel)

In 1980 trad hij in dienst van Staatsbosbeheer, na anderhalf jaar tijdelijke functies vanuit het hoofdkantoor in Utrecht kwam hij 7 jaar lang in Friesland terecht. Als gevolg van een interne reorganisatie werd hij overgeplaatst naar Tilburg, maar keerde na 10 jaar weer in het Friese terug. Voordeel is dat hij het Fries goed machtig is. Yolt´s hoofdtaak is relatiebeheer met Provincie en het Waterschap.

Al op zijn 7e raakte hij gefascineerd door molens. Eerst vooral windmolens, snel ook watermolens. Het eerste -nog onbewuste- contact met Veluwse beken ontstond tijdens de lagere school, toen hij in de vakantie speelde en dammetjes bouwde in de Renkumse Beek. Er vloeide toen nog veel meer water door de beek. Later kreeg hij van zijn vader, die de ontluikende belangstelling van zijn zoon zag, artikelen over Veuwse beken en molens van Moerman uit 1934 en eind jaren ’60 kwam het boek van Hardonk over de watermolens in de gemeente Apeldoorn. Dat triggerde fietstochten vanuit Arnhem langs de Veluwse beken. Ondertussen had zich een levenslange fascinatie voor molens als ‘werktuigen’ ontwikkeld: in Nederland, maar ook internationaal: het verslag van het tweede symposium van TIMS (The International Molinological Society), een internationale molenvereniging, wat plaatsvond in Denemarken in 1967, heeft hij in figuurlijke zin ‘verslonden’ en sindsdien heeft hij de meeste van de congressen van die club actief bijgewoond.

In 1971 ontstond het idee om met een groepje Wageningse studenten wat aan beekonderhoud te gaan doen. In Renkum gebeurde dat ook op het terrein van fam. Koker (landgoed Quadenoord) en van Staatbosbeheer. In die tijd begon de achteruitgang duidelijk zichtbaar te worden: onderhoud bleef achterwege en sprengen en aquaducten groeiden dicht. Tijdelijk vertrok hij voor zijn studie naar Canada om het voedselzoekgedrag van grizzlyberen te bestuderen, maar terug in Nederland begon hij aan zijn afstudeerscriptie over eigendom en beheer van sprengenbeken onder verantwoordelijkheid van prof. Mörzer Bruins. Daarvoor ging hij alle beken op de oostelijke en zuidelijke Veluwe langs en verbleef dan in een oude boswachterswoning in Ugchelen. Het kostte wel veel meer tijd dan aanvankelijk de bedoeling was, maar in 1979 was het zover: de scriptie werd beloond met een 8 en werd zeer positief ontvangen. Het bleek later ook de ingang te zijn om aangenomen te worden bij Staatsbosbeheer.

naamloos-2

Ondertussen had Yolt het initiatief genomen om met eerstejaars studenten van de studentenvereniging Ceres, waarvan hij actief lid was, ook onderhoudsacties op poten te zetten.

De studenten deden in het kader van hun introductietijd 4 dagen achtereen beekonderhoud. Het eerste project vond plaats bij de toen al ruim 80-jarige baron van Palland, die toen nog woonde op kasteel op Rozendaal. Later kwam er ook zo’n project in Vaassen, waar de sprengen van de Hartensche Molenbeek opgeschoond werden en nog weer later in de Eper beken. Het project in de Hartensche sprengen kon voorkomen dat de eigenaren (Piet Boon en Martijn Jaspers, beide later bestuursleden van de Stichting) met kranen in de kwetsbare sprengen aan de gang gingen.

Eén van de aanbevelingen in het rapport was te komen tot de oprichting van een stichting die het achterblijvende beheer van de sprengenbeken moest gaan oppakken.

Onafhankelijk van deze aanbeveling bleken er juist 2 stichtingen te zijn opgericht. In Vaassen en Epe ontstond de Veluwse Bekenstichting, op initiatief van Yvonne Roelants en Henk Menke, vanuit Ugchelen een Ugchelse stichting op initiatief van beekeigenaar Jan Kamphuis. Yvonne had gehoord van de scriptie van Yolt en benaderde hem, sindsdien zit hij in het bestuur van de Bekenstichting.

Yvonne en Henk organiseerden in die jaren het eerste herstelproject met “professionals”: er kwamen in die tijd subsidiegelden vrij via het ministerie van CRM (Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk.

Het eerste project dat gereedkwam was het herstelproject Nieuwe Beek in Vaassen.

De afstudeerscriptie van Yolt had hij opgesteld in opdracht van de (Provinciale) Commissie Bestudering Waterhuishouding Gelderland, waar Theo van de Nes, hoofd van een heel actieve waterafdeling, secretaris van was. De uitkomsten waren dusdanig dat het Provinciebestuur, besloot een verdiepingsonderzoek uit te laten voeren. Yolt werd –als student- gevraagd lid te worden van de begeleidingscommissie voor dat onderzoek. Het resultaat van al dat onderzoek was dat het Provinciebestuur goed doordrongen raakte van de bijzondere waarden van de sprengenbeken.

In dezelfde tijd liep er een landelijk project om heel Nederland onder waterschapsverband te brengen. Grote delen van Nederland, zoals de hele Veluwe westelijk van het Apeldoorns Kanaal, waren dat nog niet: het was zogenaamd “ongereglementeerd gebied”.

Om de bijzondere waarden van de sprengenbeken, die juist in het ongereglementeerde gebied lagen, veilig te stellen nam de Provincie initiatief de beken hier een speciale status krijgen te geven. Dit leidde er toe dat de beken op de oostelijke Veluwe, tegen de zin van Waterschap Veluwe, als speciale A-watergangen op de legger werden geplaatst: niet als “hoofdwatergang”, zoals gewoonlijk, maar specifiek om hun natuur- en cultuurhistorische waarden.

Van groot belang was de totstandkoming van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater, die uitgevoerd werd door het net opgerichte Zuiveringsschap. Dit betekende een nagel aan de doodskist van de kleine bedrijven die zich uit de papiermolens aan deze beken hadden ontwikkeld, veelal wasserijen. Zij moesten minder beekwater gaan verbruiken en –vooral- mochten hun afvalwater niet meer op de beken lozen. Het Zuiveringsschap, en dan met name sectorhoofd Jan van Zellem, die ook jaren bestuurslid was, was een grote stimulator van de Bekenstichting.

Na enkele schijnende landelijke gevallen van ernstige bodemverontreiniging, zoals in de beruchte Volgermeerpolder, was de wetgeving rond bodemverontreiniging erg streng geworden. Daarom moest, ondanks dat de arsenicumverontreiniging in de beekbodem van natuurlijke oorsprong was, bij het herstel van de Geelmolense Beek in Vaassen de beekwal nog geheel weggegraven worden. Gelukkig is de regelgeving sindsdien aanzienlijk realistischer geworden.

In die tijd ontstond binnen de Bekenstichting en de Provincie het gevoel dat door het Waterschap aan de cultuurhistorische waarden van de beken te weinig aandacht werd geschonken. Om die redenen initieerden Henk Menke, Peter Stork en Yolt een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van de beken. De Provincie stelde hiervoor middelen beschikbaar, de Bekenstichting droeg de verantwoordelijkheid. Het onderzoek werd uitgevoerd door Hans Renes en begeleid door prof. Jelle Vervloet, beide werkzaam bij het Wageningse Staringinstituut, later opgegaan in wat nu Alterra is. Het rapport van dat onderzoek, dat later op initiatief van de Stichting is omgewerkt tot het eerste boek over de Veluwse beken, heeft, althans toen, de cultuurhistorische waarden bij het Waterschap beter voor het voetlicht gebracht.

Ondanks het feit dat beekherstel en -onderhoud tegenwoordig de verantwoordelijkheid is van het Waterschap ziet Yolt voor de Bekenstichting in de nabije toekomst nog zeker bestaansrecht.

Volgens hem wordt dat bestaansrecht gelegitimeerd doordat de Stichting steeds een professionele opstelling kiest. Zij moet ‘de vinger aan de pols houden’ en het publiek betrokken houden, zoals met het vernieuwde blad en de website, zeker in een tijd waarin waterschappen voelen dat ze hun taakpakket moeten versmallen en de kosten omlaag moeten brengen. Dat werkt vooral door bij het behoud van de kwetsbare cultuurhistorische waarden.

Aan het eind van het interview laat hij nog een drietal zaken de revue passeren.

Eerst de verdrogingsproblematiek. Héél geleidelijk, een proces van decennia of meer, verdroogt de Veluwe. Objectief staat vast dat sprengenbeken daar niet de oorzaak van zijn. De bebossing van de Veluwe in de laatste 100 jaar draaien we niet meer terug. Uit het proefschrift van Hans Gehrels blijkt verder dat de sluipende verdroging vooral wordt versterkt door ontwatering in de omgeving, zoals de aanleg van de Flevopolders en de ontwatering van de lage gebieden rond de Veluwe, zoals in het IJsseldal en de Betuwe. Het is je kop in het zand steken als je de beken daar de schuld van geeft en het dempen van sprengen is dan ook een slechte optie, die bovendien het probleem niet oplost.

Als volgende noemt hij de verschillen die er bestaan tussen sprengenbeken (molenbeken) en de niet opgeleide en met sprengen uitgebreide min of meer natuurlijke beken, zoals de Egelbeek. Bij projecten om natuur te ontwikkelen liggen bij die beken veel mogelijkheden door de rol die het kwelwater hier kan spelen. Voor sprengenbeken ligt dit wezenlijk anders: die hebben door hun kunstmatig karakter grote, maar wel ‘gemankeerde’ natuurwaarden, die alleen door relatief intensief onderhoud in stand kunnen worden gehouden. Projecten in sprengenbeken die inzetten op minder onderhoud met als doel meer natuurwaarde geven aanvankelijk een spectaculaire stijging van de natuurwaarden te zien, die later weer snel afnemen door het ondieper worden van de beek. Uiteindelijk kan deze beek zelfs droogvallen of ‘vermodderen” en is het afgelopen met de watergebonden natuur, terwijl de cultuurhistorische waarde dan ook is verdampt.

Tot slot komt zijn ‘molinologische liefde’ nog even om de hoek kijken wanneer we het hebben over de Kopermolen in Epe. Yolt noemt dit als monument het neusje van de (molen)zalm: de meest bijzondere molen van de Veluwe! De stenen onderbouw is het –in Nederland laatste- restant van een kopermolen, de latere houten opbouw voor een papiermolen met droogtouwen is nog goeddeels intact en tenslotte de techniek van de korenmolen. Bovendien hangt er de sfeer van het bestorven verleden. Het is daarmee een heel kwetsbaar object en restauratie naar een werkend monument houdt dan ook gevaren in. Hij pleit ervoor het gebouw en zijn context (de ‘molenbiotoop’) in zijn ‘verstilde monumentenwaarde’ te laten en alleen het gebouw goed te onderhouden en het waterrad weer draaiende te krijgen. Het echt weer willen gaan malen met de molen heeft al snel tot gevolg dat heel veel authentiek materiaal moet worden vervangen, nog los van de haast onoplosbare problematiek van de verminderde watertoevoer.

Wiebe Kiel en Jacques Meijer.