In gesprek met Mathin Jaspers

(dit artikel is ook verschenen in de Wijerd van maart 2016)

Een gesprek met de voormalig eigenaar van molenplaats de Rollekoot in Vaassen

Door Henri Slijkhuis

Mathin Jaspers is geen onbekende binnen de Bekenstichting. Hij heeft in de jaren tachtig en negentig jarenlang in het bestuur meegedraaid. Hij is geboren en getogen op de Rollekoot in Vaassen. Zijn opa, zijn vader en hijzelf zijn decennia op deze molenplaats aan de Hattemse Molenbeek aan de slag geweest in hun wasserij. In Vaassen is wasserij Jaspers daardoor een begrip geworden. Hij en zijn broer Gerard hebben het bedrijf van vader Jan in 1961 overgenomen en in 2004 verkocht aan een grote wasserij-organisatie. In 2012 is de wasserij op de Rollekoot gesloten en staat sindsdien leeg. Mathin voelt zich nog steeds betrokken bij het wel en wee van deze voormalige molenplaats.

Ombouw stoomketel van kolen naar olie met de 23 jarige Mathin Jaspers (foto Mathin Jaspers)

Ombouw stoomketel van kolen naar olie met de 23 jarige Mathin Jaspers.
(foto Mathin Jaspers)

Inmiddels is hij 77 jaar. Woont niet meer op de Rollekoot en maakt een vitale indruk. Het vastleggen van een afspraak is nog niet eenvoudig. Hij heeft een volle agenda.

Tijdens mijn eerste gesprek word ik, na in de kamer een bakje koffie te hebben gedronken, meegenomen naar de kelder. Wat ik daar zie, overtreft mijn stoutste verwachtingen. Een groot deel van de kelderverdieping wordt in beslag genomen door een enorme tafel, die vol ligt met boeken en papieren over de wasserij. Naast de tafel ontwaar ik enkele, goed gevulde boekenkasten. Mathin begint me allerlei documenten en heel veel foto’s te laten zien en al spoedig breekt me het zweet uit. Het is teveel om in één keer te verwerken

Mathin geeft aan het moeilijk te vinden om ordening in alle papieren aan te brengen. Tijdens het gesprek wordt me dat ook duidelijk. Hij weet heel veel te vertellen over de Rollekoot. Vanaf het graven van de eerste spreng in 1542 tot aan de dag van vandaag. Zet dat maar eens goed op een rijtje!

Bij de Rode Beek (foto: Henri Slijkhuis)

Bij de Rode Beek (foto: Henri Slijkhuis)

We spreken af, dat ik een handje ga helpen om het materiaal te ordenen en artikelen zal schrijven voor het historisch tijdschrift Ampt-Epe en de Wijerd. De klap op de vuurpijl moet een boekje over de  bedrijfsgeschiedenis van wasserij Jaspers worden.

Mooi is zijn verhaal over het drinken van sprengenwater. Hij neemt regelmatig mensen mee naar het brongebied van de Hattemse Molenbeek, de Motketel. Daar springt hij in de sprengkop met een lege fles in de hand en vult die met helder bronwater. Vervolgens nemen alle aanwezigen een slok van dit mooie, heldere water. Hij verkneukelt zich van tevoren al over de reacties. Want wat heeft hij gedaan? In de bewuste sprengkop is van tevoren een gelijke fles met witte wijn verstopt. Hij steekt de lege fles in het water en haalt de fles met witte wijn ongezien tevoorschijn. Die gaat dan rond. Hilariteit alom. Wat een geweldige smaak heeft dat Veluwse bronwater!

Na de MTS is Mathin gaan werken in de wasserij. Door deze achtergrond is hij vooral gericht op de techniek.  Al snel worden dan ook de eerste technische vernieuwingen in de wasserij aangebracht. De stoommachine, die nog tot 1960 in gebruik was, gaat eruit en er wordt overgeschakeld op elektriciteit. Enorme spijt heeft hij van het afvoeren van de prachtige stoommachine. In die dagen was zijn historisch besef echter nog te gering. Gelukkig zijn er verschillende andere voorwerpen wel “gered”, zodat er naast foto’s en documenten ook nog tastbare herinneringen aan de wasserij over zijn.

Sanatorium Sonnenvanck in Harderwijk komt in ons gesprek ook verschillende keren aan de orde. Het is de eerste grote klant in 1908 en meer dan 100 jaar zal Jaspers de was doen voor dit instituut. In de beginjaren wordt de vuile en schone was met paard en wagen over de Veluwe getransporteerd.

Mathin heeft de schaalvergroting en fusies in de wasserijbranche van nabij meegemaakt. In 2004 is wasserij Jaspers (heette toen Rentex Interlin Jaspers b.v) verkocht aan een groot concern uit Koudekerk aan de Rijn. Aan de directe betrokkenheid met de wasserij is toen voor hem een eind gekomen. Wel heeft hij nog een aantal jaren een adviesrol vervuld.

Hij volgt de ontwikkelingen op de Rollekoot nauwkeurig. Het is hem een doorn in het oog, dat de wasserij al drie jaar leeg staat en de verloedering begonnen is. Hij hoopt, dat veranderingen in de toekomst recht zullen doen aan de eeuwenlange historie van de locatie en wil hieraan zo mogelijk nog graag een steentje bijdragen.

Molenplaats de Rollekoot in Vaassen

(dit artikel is verschenen in de Wijerd van maart 2016)

door Henri Slijkhuis

Gelegen in Vaassen aan de Gortelseweg, ver buiten de bebouwde kom, was de wasserij van Jaspers gevestigd. Bij de oudere inwoners van dit dorp is Jaspers een bekend begrip. Het bedrijf is in 2012 gesloten. Sindsdien staat het leeg. De wasserij heeft een eeuwenlange geschiedenis. De locatie aan de Hattemse Molenbeek staat bekend onder de naam “de Rollekoot” (1). De toekomst van deze historische molenplaats is onzeker. Er zijn plannen gemaakt, waar ook de Bekenstichting bij betrokken is. Maar of die plannen ooit tot uitvoering zullen komen? In dit artikel zal ik ingaan op deze oude molenplaats aan de Hattemse Molenbeek in Vaassen. De molenplaats is een onderdeel van een uniek sprengenlandschap.

Kaart Rollekoot en omgeving (Henri Slijkhuis)

Kaart Rollekoot en omgeving (Henri Slijkhuis)

De geschiedenis

Maarten van Rossem is de stichter van twee molens op de Rollekoot. Hij koopt in 1542 kasteel de Cannenburch met molen en beken. Hij wil in hetzelfde jaar nog een molen met een wijerd bouwen en vraagt daarvoor toestemming aan hertog Willem van Gelre. De hertog vindt het prima. De omwonenden hebben aanvankelijk geen bezwaar, maar als ze in de gaten krijgen, dat Maarten twee molens wil bouwen met een grote wijerd, vrezen ze dat hun gronden onder water kunnen komen te staan en gaan ze protesteren. Maarten wuift echter alle bezwaren weg en bouwt een koren- en een oliemolen inclusief wijerd. De molens op Rollekoot zijn een feit geworden (2).

De oliemolen is geen succes en zal weer snel afgebroken worden, want in de archieven wordt tot eind zeventiende eeuw steeds gesproken over één enkele molen. Wanneer de oliemolen precies is verdwenen is niet bekend.

Evert Jansen is de eerste molenaar op de korenmolen. Hij wordt in 1566 opgevolgd door Hermen Timmerman (3). Deze molen blijft de eerste 100 jaar in gebruik voor het malen van graan.

In 1640 wordt de korenmolen door de pachters Poull Peelen en Jonas Pouwelsen omgebouwd tot volmolen. Vollen is het vervilten van wollen stoffen met behulp van hulpstoffen. Zo’n hulpstof is urine. Het is dan ook niet prettig toeven in de buurt van een volmolen. De te vollen lakens worden aangevoerd uit de Overijsselse IJsselsteden en ook uit Amsterdam. In 1647 ontstaat er een strijd met de stad Hattem. Hattem eist tol voor de doorvoer van deze lakens van en naar Kampen. Daar zijn beide pachters het natuurlijk niet mee eens, omdat het volgens hen niet gaat om echte koopwaar, maar om goederen, die na bewerking weer naar de eigenaars terug gaan. De Gelderse Rekenkamer stelt de beide heren echter in het ongelijk en er moet betaald gaan worden(4).

Aan het eind van de zeventiende eeuw wordt de molen omgebouwd tot papiermolen. Er wordt ook een tweede molen bijgebouwd, want in 1697 wordt gesproken over “twe pampiremolens waervan pagters sijn Jan de Goye en Jacob Jacobs”.  Beide molens hebben vervolgens een reeks van pachters tot 1761. In dat jaar worden Heijmen Kamphuis en Jannetien Herms  de pachters van beide molens (5). De molens zijn eigendom van de Heren van de Cannenburch (Van Isendoorns à Blois). Als de laatste telg uit dit geslacht in 1865 kinderloos sterft, worden alle molens, die onder de Cannenburch vallen, verkocht. In de verkoopcatalogus van de Cannenburcher goederen van 1872 worden de beide Rollekootse papiermolens aangeduid als “Papierfabriek de Rollekoot, thans gedeeltelijk ingericht tot Zagerij”. Hendrik Pannekoek koopt de molens en betaalt er 3400 gulden voor. Hendrik bouwt de papiermolen om tot wasserij/blekerij.  Zijn weduwe verkoopt in 1896 deze wasserij aan Evert van Delden. Deze  Evert is getrouwd met Hendriks dochter. In 1904 verkoopt Evert de wasserij voor f. 14.000,- . Eigenaar wordt een bleker uit Gouda, Lambertus Jaspers. We zijn dan aangeland bij de naam, waaronder veel Vaassenaren de molenplaats nu nog kennen, “wasserij Jaspers”.

De wasserij in 1904 (foto: Mathin Jaspers)

De wasserij in 1904 (foto: Mathin Jaspers)

Lambertus Jaspers laat op de Rollekoot een nieuw gebouw neerzetten . Het wordt een hoog gebouw met een mansardedak , waarin een stoommachine wordt geplaatst. Deze stoommachine is overigens twee jaar eerder al door Evert van Delden gekocht (6).

 Draaiton gebruikt in de voormalige papiermolens. archief CODA

Draaiton gebruikt in de voormalige papiermolens. (archief CODA)

De familie Jaspers zal 100 jaar aan de Rollekoot verbonden blijven. In de beginperiode wordt nog gebruik gemaakt van waterkracht. In een lijst van 1933 staat echter, dat in stoomwasserij “De Rollekoot” geen waterkracht meer wordt gebruikt (7). In de jaren daarvoor is een nieuwe 15 pk stoommachine en een kolen gestookte stoomketel aangeschaft. De wasmachine en centrifuge worden vanaf dat moment door de stoommachine aangedreven. De kolen worden per trein aangevoerd naar het station in Vaassen en vandaar naar de wasserij gebracht. De klanten van de wasserij zijn in de beginperiode vooral particulieren. In 1908  wordt de eerste grote klant binnengehaald, sanatorium Sonnenvanck in Harderwijk. Het is dan nog de tijd van paard en wagen en via het Vierhouter Bos wordt de vuile en schone was heen en weer gereden.

Foto uit 1908 met personeel voor de wasserij. Op de achtergrond paard en beladen wagen (foto: Mathin Jaspers).

Foto uit 1908 met personeel voor de wasserij. Op de achtergrond paard en beladen wagen (foto: Mathin Jaspers).

In de oorlogsjaren 1940-1945 wordt een nieuw waterrad geplaatst voor de opwekking van elektriciteit en voor de aandrijving van een raspmachine voor bieten. Veel buren aan de Gortelseweg hebben hier gebruik van gemaakt. Overigens is in de oorlogsjaren doorgewerkt.  In de jaren zestig van de twintigste eeuw worden technische veranderingen aangebracht. De kolen gestookte ketel wordt omgebouwd naar olie en de tot dan gebruikte stoommachine wordt vervangen door elektromotoren. De uitbreiding van de wasserij begint vanaf 1969 vorm te krijgen. Het tijdvak van samenwerking en fusies  breekt aan. Door de samenwerking met een wasserij in Nijkerk is Jaspers in staat om de grote zorginstelling ’s Heerenloo uit Ermelo binnen te halen. Daarom wordt in 1974 een moderne wasserijstraat geïnstalleerd. Gebouwen worden toegevoegd en het aantal personeelsleden wordt uitgebreid tot circa 50. Vanaf 1974 wordt geen beekwater meer ingezet als waswater. Gebruik wordt gemaakt van opgepompt grondwater, dat na behandeling in een zandfilter en een onthardings- en ontijzeringsinstallatie als waswater dient. Ook komt in dat jaar een einde aan de lozing van het gebruikte waswater in de Hattemse molenbeek. Het bedrijf zorgt samen met de gemeente voor de aanleg van riolering. In 1980 wordt ook een nieuwe stomerij gebouwd, omdat de bestaande stomerij te klein is geworden. Het zal niet de laatste uitbreiding zijn. In 1989 fuseert Jaspers met Poppe uit Vaassen en Ten Bokkel Huinink uit Nijkerk. De naam wordt veranderd in Rentex Interlin Jaspers B.V. In de villa op de Rollekoot vestigt zich de directie van de Rentex Interlin organisatie.  In 1996 werken er 70 mensen op de Rollekoot (8). In 2004 wordt Rentex Interlin Jaspers B.V. overgenomen door een grote wasserij-organisatie uit Koudekerk aan de Rijn. In een grote organisatie als Clean Lease draait het om efficiëntie. Dit betekent schaalvergroting en minder vestigingslocaties. In 2012 wordt  “De Rollekoot” gesloten. Sindsdien staat het leeg.

De omgeving

De molenplaats Rollekoot ligt in een prachtige omgeving. Het maakt deel uit van het mooist bewaarde sprengenlandschap op de Veluwe. Op oude kaarten is goed te zien, dat het dorp Vaassen onder aan de helling van de stuwwal ligt. Niersen ligt westelijker en een stuk hoger. De omgeving van het buurtschap Niersen was daardoor heel geschikt voor het aanboren van grondwater. En dat is in de zeventiende eeuw ook op grote schaal gebeurd. Het gebied, dat bekend staat onder de naam “de Motketel”, is een wirwar van sprengen, die de Hattemse Molenbeek en Geelmolense Beek voeden. De Rollekoot wordt bij de oprichting in 1542 van water voorzien door de toen nog natuurlijke Rode Beek. Deze Rode Beek wordt daarvoor om- en opgeleid.  Aan het eiind van de zeventiende eeuw wordt de molenplaats aangesloten op de Hattemse Molenbeek. Door de vele sprengen en de beken die ontstaan, kunnen uiteindelijk zeventien molens in Vaassen van waterkracht voorzien worden.

Ook voor onze jaartelling wordt het gebied al bewoond. Daarvan getuigen de Celtic fields  in de nabije omgeving van de Rollekoot. Deze akkertjes zijn zevenhonderd jaar in gebruik geweest, van 500 voor Christus tot 200 na Christus. Het complex aan de Gortelseweg van meer dan 75 hectare bestond uit akkers, boerderijen en begraafplaatsen. De omwalde akkertjes hadden een omvang van 30 bij 30 meter en worden ook wel raatakkers genoemd. Ze zijn bebouwd met verschillende gewassen (9).

Celtic fields (foto Henri Slijkhuis).

Celtic fields (foto Henri Slijkhuis).

Deze Celtic fields zijn toch niet de oudste tekenen van menselijk ingrijpen in het landschap. Nog ouder zijn de grafheuvels uit de steen- en bronstijd. We hebben het dan over de periode 5300-800 voor Christus. In de omgeving van de Rollekoot zijn er veel te vinden.

Grafheuvel (foto: Henri Slijkhuis).

Grafheuvel (foto: Henri Slijkhuis).

De toekomst

Molenplaats de Rollekoot is aan het verloederen. De gebouwen staan al een paar jaar leeg. Van onderhoud is nauwelijks sprake. Het is een industrieel complex in een natuurlijke omgeving. Het is een grote uitdaging om functies te vinden voor de gebouwen, die recht doen aan het verleden, de omgeving en die ook nog eens economisch rendabel zijn.

Architectenbureau SDAA  heeft hierover nagedacht. Zij hebben plannen ontwikkeld voor dit bedrijfsterrein. Voor de Bekenstichting zijn de gedachten om in een deel van de gebouwen een informatie- en bezoekerscentrum met een wasserij- en watermolenmuseum te maken bijzonder interessant.  Het plan zit echter nog in een heel pril stadium. SDAA is in overleg met de huidige eigenaar. Hopelijk ziet die er wat in.

Noten

  1. De Hattemse molenbeek kent verschillende namen. De beek wordt ook Hartense molenbeek en Hattumsche molenbeek genoemd. Zie ook W.Terwel, molens op de Hattemsemolenbeek, in: De Wijerd 4e jaargang, nr 1, 1983, p. 8-11 en G.D. Cornelissen de Beer, De Hattumsche molenbeek, in: De Wijerd, 4e jaargang, nr. 3, 1983, p.13-15
  2. Hagens, p. 202, Th. Te Riele-ter Laak, p. 57
  3. Idem
  4. Hagens, p. 202
  5. idem
  6. Hagens, p. 203
  7. idem
  8. De Pers, p.1
  9. Simons, p. 11, Van Baarle, p.39

Geraadpleegde literatuur

  • Baarle, Cor van, Handel en wandel op de Veluwe, Zwolle 2009
  • Buurman, D.J.G. red., De Cannenburch en zijn bewoners, Zutphen 1990
  • Cornelissen de Beer, G.D,  De Hattumsche molenbeek, in: De Wijerd, 4e jaargang, nr. 3, 1983, p.13-15
  • De Pers, april 1996, derde jaargang (personeelsblad van Rentex Nederland)
  • Hagens, H., Op kracht van stromend water. Negen eeuwen watermolens op de Veluwe, Hengelo, 1998
  • Hardonk, R., Koornmullenaers, Pampiermaekers en Coperslaghers. Korte historie der waterradmolens van Apeldoorn, Beekbergen en Loenen, Apeldoorn 1968
  • Honderd jaar Epe. Grepen uit de geschiedenis van de gemeente Epe van 1878 tot 1978, Epe 1978
  • Menke. H, e.a., Veluwse beken en sprengen. Een uniek landschap, Utrecht 2007
  • Renes. J, e.a., het Veluwse sprengenlandschap; een cultuurmonument, Wageningen 2002
  • Simons, Veerle, Vaassen. Een cultuurhistorische wandeling, Utrecht 2012
  • Slijkhuis. Henri, De Kopermolen in Zuuk, z.p. 2015
  • Te Riele-ter Laak, Th., De Vaassense watermolens, in: Ampt Epe, nr.94-95, juli 1991, p. 55-68
  • Terwel, W., molens op de Hattemsemolenbeek, in: De Wijerd 4e jaargang, nr 1, 1983, p. 8-11